Die eerste reis

door  Jef Pijnenburg

 

Die eerste reis is iets wat een zeeman nooit vergeet,

het is zijn eerste liefde.

 

Het voorspel
We zijn begin de jaren zeventig.

Ik ben een jong ventje van 19 jaar en wil een stukske van de wereld zien.
Ik bied mij aan op de pool der zeelieden in de Olijftakstraat in Antwerpen en zeg : ik wil gaan varen.
Das heel goed manneke, we kunnen nog wel wat volk gebruiken, vult die papierkes hier maar in en biedt u aan bij meneer doktoor.
Meneer doktoor zegt : manneke gij ziet zo scheel als nen otter, das te gevaarlijk op een schip.
Ik zeg : ik wil gaan varen.
OK zegt hem, maar niet aan dek. Maar in de kombuis is er geen probleem.
Ik zeg, ik wil varen en ik kan een ei bakken want ik kom uit een familie van twaalf kinderen.
OK zegt hem, we sturen u naar de zeevaartschool voor een opleiding als 2de Kok-bakker.
Ik zeg : als ik maar kan gaan varen.
In de zeevaartschool in Oostende worden officieren opgeleid.
Een bijna militaire sfeer.
Wij, we zijn met vijf, hebben daar minder last van omdat we goedkoop keukenpersoneel zijn dat tussendoor op drie maanden opgeleid moet worden tot 2de Kok-bakker voor de langen omvaart.
Na drie maanden slagen we allemaal in de examens, behalve éne want die wordt betrapt. Hij heeft een foto in zijn persoonlijke valies van een vrouw met blote borsten. Hij vliegt buiten.
In de examencommissie zitten vertegenwoordigers van de verschillende rederijen.
De man van UBEM spreekt mij na het examen aan en vraagt of ik een vast contract wil tekenen voor zijn rederij.
Ik zeg nee want ik wil ongebonden blijven.

En ik voel me wat onzeker, want op drie maanden tijd maken ze van den eerste beste pipo nen tweede kok-bakker omdat ze toevallig volk nodig hebben.
Die tweede kok-bakker heeft aan boord dan wel de verantwoordelijkheid voor zo'n 35 man wat betreft voedsel.

Ik heb dus mijn certificaat en moet mij terug aanbieden bij meneer doktoor om mijn pietje te laten nazien op vuile ziektes en in het Tropisch Instituut om wat spuitjes te krijgen tegen yellow fever en andere vieze dingens.
Ik ga ook mijn zeemansboek afhalen bij de waterschout.
Daarna moet ik mij dagelijks aanmelden in het aanwervingslokaal der zeelieden.
Dat noemde toen het rattenkot en was gelegen op de Italielei.
Den eerste dag heb ik al prijs.
Voor de rederij UBEM, een reis naar Noord-Amerika.
Bestemmingshavens zijn o.a. Houston, New-Orleans, Tampa en Galveston.
Terugvaart bestemmingen staan dan nog niet vast.
Ik teken mijn aanmonstering, en ga een pint pakken.
Die pint ga ik pakken vlak naast het rattenkot, in cafe Blue-Tax.
Daar zit een kleine rondborstige vrouw en die vraagt aan mij : wat ist zeeman, is uw geld oep ? Ik ontken.
Aan den toog krijg ik te horen dat Klein Mariake een sexuele afwijking heeft.
Zij spreekt af met gestrande zeemannen en tegen betaling doet zij rare dingen met een plexi potteke om aan haar gerief te geraken.
Ik ga naar de kroeg aan de andere kant van het rattenkot.
Daar zit Dikke Mit.
De moeder van alle zeemannen.
Dikke Mit begrijpt het leven van een zeeman.
Dikke Mit zit de hele dag achter haar toog op twee krukken want Mit weegt 145 Kg.
Dikke Mit geeft mij wijze raad om mij als kersverse zeeman niet te laten vangen tijdens mijn zeemansdoop.
Ik denk het wel te snappen.

De dag erna moet ik om 16H00 aanmonsteren op kaai 408 in Antwerpen.
Vanaf toen zat het spel op de wagen.

 

Eerste kennismaking

Thuis pak ik mijn valies en neem afscheid van moeder.

Ik moet haar beloven om regelmatig te schrijven.

Dat beloof ik haar, maar ik weet dat daar op zee de fakteur niet alle dagen langskomt.

Aan kaai 408 zie ik mijn schip.

De Chertal is een modern schip zegt de derde stuurman mij met een waals accent.

“Diet skip ies één multi-purpose-bulk-carrier en makt selfs 24 knopen.”

De lading bestaat uit ijzer, auto’s, containers en nog wat autobussen van Van Hool bestemd voor New-Orleans.

Ik bezie dat schip nog eens goed en zie dat het goed onderhouden is.

De kabels om de reddingssloepen neer te laten, zijn zo dikwijls geverfd zodat die nooit meer kunnen bewegen.

Omdat er geen Chief-steward werd gevonden, mag ik die zijn kajuit in gebruik nemen.

Twee meter op drie meter groot, een kast, een bed en een pompbak, maar ik heb geluk want ik moet mijn kajuit niet delen met anderen.

 

Het is tijd om de kombuis en de voorraden te gaan inspecteren.

De kookvuren werken op elentriek, ik heb daar geen ervaring mee.

Van de bakovens werken er maar twee van de vier.

De Chef-kok zegt dat dit allemaal geen probleem is, op zijn vorige reis was hij bakker zoals ik maar is nu gepromoveerd tot Chef-kok.

We zullen er samen dus het beste van maken.

 

We bespreken mijn taakverdeling.

’s Morgens ontbijt : vers zelf gebakken brood ( op donderdag en zondag pistolékes,sandwichen of kramiek ), spek, eieren gekookt of spiegelei of turn-over of roerei of gepocheerd ei  naar keuze.

Bediening aan de servicetoog is ook voor mij.

‘s Middags : koude schotel, piccolos of frans brood voor bij de kok zijn soep, en als er vis of frieten op het menu staan, is dat ook mijn taak. Dessert is vers gebakken pattisserie.

’s Avonds : Koude of  warme schotel, fruit of ijskreem, brood en beleg klaarleggen voor de nachtploeg.

Alle warme hoofdmaaltijden zijn voor de Chef-kok.

Ik zal dus beginnen ’s morgens om 06H00 tot 13H00, ga dan een uurke rusten, daarna terug van 15H00 tot 19H00. Maar woensdag en zaterdag tot 22H00 want op donderdag en zondag moeten er wat extra’s klaar zijn.

We werken zeven dagen op zeven, maar na 9 maanden is er een mogelijkheid om af te monsteren.

Ik heb gratis kost en inwoon op het schip en verdien 55 frank per uur.

Ik ben trots, vanaf nu een zeeman denk ik en morgen wordt het een spannende dag.

 

kombuis

 

De eerste dag

Die eerste nacht aan boord slaap ik slecht.

Het schip is ’s avonds afgevaren en thans zitten we in de drukste en gevaarlijkste vaarroute die er bestaat, het Kanaal.

Om 06H00 sta in mijn kombuis om aan het brooddeeg te beginnen.

Tot mijn verbazing staat ook de kok daar al. Alhoewel dat die maar pas om zeven uur moet beginnen.

Bakker, zegt hem, gij hebt nog nooit op nen boot gezeten, das hier ander koken-eteke spelen zoals op uw zeevaartschool. Dat eten moet hier vanaf den eerste dag in orde zijn want anders gaan we hier een paar maanden dik in de miserie zitten.

Ik meen het te snappen en zeg : OK en bedankt maat.

Het deeg staat te draaien, ik steek de bakovens al in gang en haast mij om het breakfast klaar te maken.

Spek, vandaag nog brood van aan de wal en tikkeneitjes naar keuze.

Ondertussen besef ik dat ik voorlopig maar een papieren zeeman ben. Iedereen op dit schip weet dat het mijn eerste reis is.

Om zeven uur doe ik het rolluik open tussen de kombuis en de mess van de bemanning.

Zwette Jaak,bootsman, hun baas, meldt zich als eerste aan.

Zwette Jaak is ne zwarte en een boom van ne vent.

Bakkerke zegt hem, voor mij een eitje langs twee kanten gebakken en heel hard gebakken spek.

Hij grijnst en ik zie zijn verhakkelde tanden.

Die doen mij denken aan een schietbarak van de Sinksenfoor.

Ik schep de bootsman zijn talloor in.

Bakkerke zegt hem, dat spek is niet hard genoeg gebakken.

Ik weet direct hoe laat het is.

Ze willen weten wat voor vlees dat ze in de kuip hebben met mij.

Dus ik zeg : bootsman, ik kook voor iedereen hetzelfde en maak geen onderscheid voor niemand niet..

Nee, zegt Zwette Jaak, ik wil heel hard gebakken spek.

Ik zeg : Ok, bootsman we gaan dat hier direct oplossen want er staan hier nog mensen op hun eten te wachten.

De matrozen zijn plotsklaps klaarwakker en kijken gniffelend toe.

Ik trek quasi kalm mijn T-shirt uit.

Iedereen ziet mijn bloot bovenlijf.

Een smal ventje, mijn ribben zijn zichtbaar en mijn forsballen zien er uit als ping-pong ballekes.

Zwette Jaak rolt met zijn ogen en ik zeg :

Uw spek opvreten of anders op mijn bakkes slagen.

Zwette Jaak snapt het en zegt dat hij slecht geslapen heeft en het allemaal zo niet bedoelde.

Zaak afgesloten, maar na de service sta ik stillekes op mijn beentjes te bibberen.

Ik ben gewikt en gewogen en goedgekeurd.

Inwendig ben ik opgelucht dat mijn bluf gewerkt heeft, Zwette Jaak kan zich niet belachelijk maken door dat tenger bakkerke wat kletsen te geven.

Had ik wél wat kletsen gekregen, had ik moeten zeggen :

Ok mannen,

Ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws.

Het slechte nieuws : vanaf vandaag staat er alle dagen stront op het menu.

Het goede nieuws : der is genoeg voor iedereen.

Ze zouden der niet mee gelachen hebben.

De rest van de reis komen Jaak en ik overeen.

 

De reis is pas begonnen en ook ik begin één en ander te snappen.

Binnen een paar dagen zitten we voorbij het Kanaal en echt op zee.

 

 

 

Na een paar weken

Begin ik mijn draai te vinden.

We zijn dat ellendig Kanaal uit, de Azoren gepasseerd en zitten nu op den Atlantic richting Noord-Amerika.

Het zijn lange werkdagen maar ik vind dat ik mijn 55 frank per uur waard ben.

Ik heb ondertussen ook de zwalpende zeemansgang aangeleerd.

Dat schip beweegt op en neer en af en toe ook zijwaarts, maar er zit een vast ritme in want het weer is redelijk. Het went.

Diet ies een koed skip zei de derde stuurman.

De bemanning doet niet moeilijk over het eten, afgezien van het normale klagen.

Onaangekondigd is er inspectie in de kombuis door de tweede en de derde stuurman en ik moet op het matje komen bij den Ouwe.

Bakker zegt hem, gij hebt geen grote blokken ijs in de frigo’s klaarliggen.

Blijkt dat die nodig zijn om in geval dat er iemand appendicitis krijgt , die te kunnen koelen want een doktoor is niet mee vertrokken met ons schip.

Ik ben overtuigd van de noodzaak en maak er werk van.

Terug in de kombuis merk ik dat de chef-kok en de koksmaat rel hebben gehad.

De koksmaat zijn neus bloed, hij ziet wat bleek en is heel stillekes.

Danny de koksmaat is een gastje van zeventien en is gaan varen op aanraden van de jeugdrechter omdat ze dat krapuuleke beu werden.

Ik moei mij er niet mee maar krijg later van de kok te horen dat Danny in mijnen  deeg had gepist tijdens mijn afwezigheid om mij te pesten omdat ik nen bleu ben.

Ik beschouw de zaak als afgehandeld, Danny heeft loon naar werken gehad.

’s Middags doe ik dat rolluik open voor de service en zie daar in de mess van de matrozen, den deckboy liggen in een plas kots.

Zeeziek brabbelt hem.

Komaan deckboy zegt de kok, uw tafels moesten al gedekt zijn.

Zwette Jaak komt binnen en zegt tegen het hoopje ellende : zeeziekte telt niet aan boord, rechtstaan of anders wat lappen.

Hij krijgt wat lappen.

Vijf minuten later staat hij de tafels te dekken.

Na de service heb ik een uurtje vrij en besluit om wat frisse lucht te happen boven op het achterdek

Daar ligt Pascal, één van de twee stewardessen, te zonnen in bikini.

Dag bakkerke zegt ze, kunt gij voor mij vanavond een extra ijskreem arrangeren ?

Ik zeg nee. En ga naar mijn kajuit om nog een half uurke uit te rusten.

Daar probeer ik na te denken.

Wat bezielt die vrouw toch ?

 

Routine, verveling en sex

Pascal, de stewardess is bij den Ouwe moeten komen en heeft daar een uitbrander gekregen.

Ambras tussen de matrozen door haar bikini optreden.

Ze snapt er niks van.

Terug in de mess barst ze in tranen uit : Ik heb toch niks verkeerd gedaan ?

Maria, de andere stewardess, krijgt een doffe blik in de ogen en verlaat hoofdschuddend de mess. Maria vaart al 10 jaar als vrouw in een mannenwereld. Maria snapt het wél.

Eén van de matrozen slaat zijn arm rond de schouders van Pascal om troost te bieden.

Meekomen zegt Zwette Jaak tegen de matroos.

De dag erna zie ik dat de matroos een gekloven lip heeft.

 

Het leven aan boord gaat verder.

’s Middags tijdens mijn korte pauze, ga ik op het achterdek om een sigaretje te paffen.

Het is hoogzomer en ik aanschouw de onmetelijkheid van de zee.

De zon priemt door enkele gaten tussen de wolken.

Dat geeft prachtige, enorme lichtbalken die reflecteren op het kabbelende water.

Onnoemelijk schoon is dat.

Ik krijg er tranen van in mijn ogen maar moet  terug aan het werk.

 

Als ik de deur van de kombuis opendoe, zoeft er een groot vleesmes rakelings langs mijn oor.

Ik ben vergeten dat de kok daar een vleesplank heeft opgehangen om te vogelpikken met zijn messen.

De kok grijnst en zegt : Bakker, haalt nog eens een stuk koei uit de frigo dan kunnen we die ontdooien en versnijden.

Das een goed gedacht zeg ik. Rosbief en biefstukken voor de bemanning en de filet pur is voor ons zelf.

In de frigokamer is het  – 40 graden en ik ben daar een kwartier bezig om dat beest los te kappen want dat stuk koei is vastgevrozen aan de wand.

Wat later lig ik in de kombuis op de grond en staar verdwaasd naar de kok en de eerste stuurman.

Thermo-shock zegt de stuurman, ge zijt van uw stokske gegaan.

Ik snap er niks van en ze leggen het me uit.

In de frigo is het  – 40 en in de kombuis + 50 . Dat is een verschil van 90 graden.

Ik voel me maar een stomme kloot, zwijmel recht en hang die koei aan een zeel omhoog om te ontdooien.

 

Aan boord wordt er ook aan ruilhandel gedaan.

De kok kweekt vliegen op een rauwe lap vlees.

Die vliegen ruilt hij voor bierrantsoenen.

Ze trekken dan die haar vleugels uit en laten die over hun gevoeligste lichaamsdeel rondkruipen.

Spaanse vlieg noemt de bemanning het.

 

Ook ik doe zaakjes.

Ik sta in voor het verdelen van het bierrantsoen.

Per dag 2 flesjes de man.

Bij zo’n tropische temperaturen is daar vraag achter.

Ik zeg tegen de matrozen dat ze hun leeggoed mét stopke moeten inleveren.

Ik nijp die stopkes terug op dat leeg flesje en smijt die kapot in de koelkamer.

Tegen de officier zeg ik dat er wéér wat kratten pils zijn omgevallen door het schuiven van de lading.

Hij begrijpt het wel.

 

Ondertussen naderen we de Bermudas en er wordt zwaar weer verwacht.

 

m/s Chertal

 

 

 

Storm

We zijn de Bermuda’s voorbij en komen in de Golf van Mexico.

Ik ben vermoeid door de lange werkdagen en de extreme temperaturen.

Om de twee dagen word de klok verzet wegens het tijdsverschil.

Slopend.

Maar tijdens mijn namiddagpauze ga ik niet rusten en wil ik al dat water zien.

De kleur is veranderd, het ziet er thans lichtjes groen uit.

En er is ook activiteit, die dolfijnen volgen dit schip al twee dagen.

Ik zie ook zilverachtige vissen die opduiken uit het water en pas meters verder terug onderduiken.

Vliegende vissen.

Meeuwen zijn nog niet te bespeuren, we zijn nog dagen verwijderd van land, en de Golf van Mexico blijkt groter dan mijn atlasboekske deed vermoeden.

Ik geniet nog even en ga terug benedendeks, die zon brandt te fel.

 

In de kombuis staat den derden.

Hij heeft extra zouttabletten bij voor ons.

Zout houd het vocht in het lichaam langer vast zegt hem.

In de kombuis komen die extra tabletten wel van pas.

We zitten niet zover van de evenaar en soms loopt de temperatuur in de kombuis op tot 50 graden en meer.

Hij geeft mij ook opdracht om nog méér zout in mijn brooddeeg te doen.

Dat gaan platte broden worden want gist en zout gaan niet te samen.

Twee dagen geleden hebben ze aan dek nog badminton gespeeld met mijn mislukte pistolékes.

Meer zout bakker zegt hem en ik knik ongelukkig starend.

 

Die nacht word ik wakker.

Dat schip doet raar, iedere keer bij het neerkomen van de boeg, voel ik het schip stuiteren.

Drrrrr, drrroeng,dak dak dak

Ook de zijwaartse bewegingen zijn heviger en onregelmatiger.

Ik spring uit mijn kooi en wil aan de pompbak eerst mijn kop onder de kraan houden om wakker te worden.

In de spiegel zie ik op mijn beide bovenarmen een reusachtige blaar staan vanaf de elleboog tot aan de schouder.

Pas dan begin ik de pijn te voelen, en ik besef dat Maria, de stewardess gelijk had.

Ze had mij gewaarschuwd  voor die stekende zon.

Maar ik haast mij naar de kombuis om zeker te zijn dat de patrijspoorten nog goed vergrendeld zitten, want die zitten vlak boven de waterlijn.

Onderweg is het druk, iedereen is wakker geworden, er is werk aan de winkel.

In de kombuis blijkt alles nog in orde en de kok arriveert ook.

Hij heeft extra touwen mee om de kookpotten vast te binden op het fornuis.

De zeezieke deckboy is nergens te bespeuren maar gelukkig voor hem heeft Zwette Jaak nu andere zaken te regelen.

De kok en ik besluiten om het menu aan te passen.

Normaal koken of bakken is nu onmogelijk.

De storm zal twee dagen duren volgens de stuurman.

Later op de dag beziet den eersten mijn bovenarmen.

Brandwonden tweede graad zegt hij, het vlees onder de huid is ook geraakt.

Ze wikkelen mijn bovenarmen in met verband gedrenkt in levertraan.

Dagen aan een stuk stink ik naar rotte vis.

 

Ik probeer het  allemaal positief te bezien, nog een dag of vier en dan komen we aan in New-Orleans.

 

 

woelig water

 

 

 

Brand : prepare to abandon ship

Na twee dagen is de storm niet geluwd, hij is gewoon verdwenen.

Even snel als hij kwam opzetten.

De zon brandt heviger als tevoren, de zee ligt er rimpeloos bij en ik zie ook die dolfijnen terug fratsen uithalen.

De schade word opgemeten, de lading blijkt intact.

Iedereen aan boord loopt rond met een glazige blik in de ogen. Slaapgebrek en uitgeput door die storm.

Maar we zijn content dat die storm over is.

 

In de kombuis komt den derden langs op inspectie.

Er is geen schade en de frigo’s draaien normaal.

Hij geeft ons opdracht om wat extra’s klaar te maken.

De kok en ik zetten frieten, koude schotel, en deze keer filet pur voor iedereen op het menu.

Dat kost den derden weeral twee flessen Bacardi want anders worden het gewone kotteletten.

Hij ververst ook de verbanden aan mijn bovenarmen en ik krijg eindelijk pijnstillers.

Ik zeg tegen hem, stuurman dit ies een koed skip.

Hij mompelt wat en verdwijnt.

 

Tegen de middag sta ik frieten te bakken en de kok is bezig met die koei.

We klappen wat over de vrouwen in New-Orleans.

Bakker zegt hem : Daar in New Orleans weet ik nog een goed wefke zitten voor u.

Die heeft tetten joeng, daar kunde gij een pint op rechtzetten.

De koksmaat knikt instemmend.

Net als ik wil vragen wat voor bier ze daar drinken, horen we een enorme dreun.

Heel dat schip davert.

Een explosie.

De braadslee met de filet pur klettert tegen de vloer.

Sprakeloos kijken we elkaar aan.

De vuren afzetten zegt de kok.

Terwijl ik de vuren en mijn ovens uitschakel, hoor ik de scheepshoorn een paar keer blazen.

Dat waren er zeven zegt de kok, en hij slaat lijkbleek uit.

Door de intercom klinkt een zenuwachtige stem : prepare to abandon ship.

Ik besef dat het ernst is en er gebeurd iets raars met mij.

Ik lijk het gevoel te hebben dat ik hier niet ben en ervaar alles zoals in slow motion.

Mijn instinct heeft de controle overgenomen.

 

Als een robot haal ik in mijn kajuit mijn life-jacket op en begeef mij naar het bovendek.

Dat hebben we geleerd tijdens de verplichte alarm oefening.

Pekzwarte rook komt er uit de schouw.

Op het bovendek zie ik maar de helft van de bemanning.

De stuurman zegt dat ze aan het blussen zijn.

Hij meld ons dat de machines door het zware weer overbelast zijn geweest.

Er is een explosie geweest in de machinekamer gevolgd door een brand.

We moeten hier op het bovendek stand by blijven en wachten op het bevel om de reddingsloepen te water te laten zakken.

Afwezig staar ik naar de toegeverfde kabels.

 

Een uur later komt door de intercom de melding dat thans alles onder controle is.

Ik kom terug tot mijzelve en merk dat ik op mijn benen sta te daveren.

Bakkerke, zegt Maria, gij hebt uw life-jacket achterste te voren aan.

Ik schrik, bedank haar en zeg verder niets.

Ik kan niet zwemmen maar wil niet dat ze dat weten.

 

Het alarm word afgeblazen en een waarschuwingsvlag word gehesen.

Het schip heeft geen aandrijving meer en is stuurloos.

En een anker heeft geen zin, dat water is te diep.

Het zal twee dagen duren voordat alles hersteld is.

In de kombuis rapen we de filet pur terug op, en maken een nieuwe planning op.

In de machine kamer zal ook ’s nachts moeten gewerkt worden en die mannen gaan extra eten nodig hebben.

 

New-Orleans zal nog even moeten wachten.

 

 

 

 

Drunken Sailor

Op halve kracht bereiken we New-Orleans.

Er zal een herstellingsploeg aan boord komen.

De sfeer aan boord is goed, want het betekent dat we uitzonderlijk lang aan de wal zullen liggen.

Een nacht en een dag.

 

Ik heb tijdens mijn pauze een taart gebakken voor één van de matrozen.

Hij wil die mee aan wal nemen, zijn zeemanslief is verjaard.

Ik maak een bisquit met abrikozen vulling, doe er marsepein rond en werk af met echte Belgische chocolade.

Hij glundert, met die chocolade gaat hij scoren.

 

Bakker, boven komen bij den Ouwe, krijg ik van de deckboy te horen.

Den Ouwe heeft nieuws voor mij.

Gij moogt van de Amerikanen dan toch aan wal gaan bakker, het probleem met uw papieren is opgelost. Ze geven u een tijdelijke permit, maar uw zeemansboek moet aan boord blijven. De rederij was vergeten een paar papieren na te sturen.

Ook ik glunder nu en vraag een voorschot op mijn gage.

Tweehonderd dollar.

Ik krijg er honderd.

 

Om zeven uur is mijn dienst gedaan en fris gewassen dalen we een half uur later de gangway af. De kok, koksmaat, enkele matrozen en een aspirant-officier.

Op aanraden van de kok verstop ik een deel van mijn geld in mijn schoenen.

Beneden op de kaai staan twee mannen ons op te wachten in maatpak.

Cops, fluistert de kok.

What’s in that box willen ze van de matroos weten.

Birthday cake zegt hem.

Hij moet ze openmaken en de cop begint met een knipmes in de taart te steken.

Checking for drugs zegt hem.

Ik ontplof en geef die smeerlap een duw.

Blijf van die taart af, schreeuw ik.

Meekomen naar het bureau klinkt het.

De eerste stuurman word er bijgeroepen.

Na wat gepalaver en wederzijdse excuses is the case closed.

Wat later stappen we in onze wachtende taxi’s.

To Bourbon street zeggen we.

Onze cabdriver is goed gezind, hij heeft de vlag van ons schip gezien en weet dat hij drinkgeld zal krijgen.

 

In Bourbon street zwalpen we over straat.

De zeemansgang, na weken op zee blijkt het moeilijk stappen op vaste grond die niet beweegt.

Drunken sailors hoor ik voorbijgangers schamper zeggen.

We belanden in een bar met topless bediening.

We zijn de jaren zeventig en ik heb zoiets nog nergens gezien.

Aan het plafond hangt met touwen een schommel. De benen van het meisje zijn telkens zichtbaar op straat door een gat in het venster. Good for bussines zegt de barman.

We drinken Budweiser. Big bud’s. Glazen kannen van vijf liter. Het smaakt naar pis.

Everything is big hier, ook de borsten van één van de diensters.

Na één can spreekt de kok haar aan.

Voor vijf dollar klimt ze op onze tafel en danst voor ons.

De jukebox speelt een plaatje van Cher : Gypsies, tramps and thieves.

Het is weken geleden dat ik nog muziek heb gehoord, ik geraak in stemming.

Nog een can later vraag ik aan de kok waar dat speciaal wefke zit.

Hij geeft mij het adres.

 

  New Orleans

 

Hi, sailor, lacht ze lief. My name is Bonita. You give me first the money.

Ze heeft een prachtig lichaam, maar er gebeurt niks met mij.

Te veel drank. Everything is Big in Amerika, maar niet bij mij.

Giechelend werkt ze mij de deur uit.

Buiten wenk ik een cab. Pas de tweede wil stoppen.

Raar.

Ik weet de weg naar het schip niet meer.

No problem, mister. What is the name of your ship ?

Hij checkt zijn shiplist en weet waar ik moet zijn.

Als we arriveren, merk ik dat ik geen schoenen aan heb.

De schoenen waar mijn geld in zat.

Te laat en terugrijden zal niet helpen.

Bonita zal moeilijk terug te vinden zijn.

De cabdriver kijkt zuur, is there a problem mister ?

De matroos van wacht is de gangway afgedaald.

Samen vinden we nog genoeg klein geld.

Den Ouwe was nog zo zot niet besef ik, het scheelt mij honderd dollar.

Kom, bakker zegt de matroos, het is al halfvier en om halfzes moet ik u al komen wekken.

Ik geef hem zijn beloofde fles drank

Hij helpt mij de gangway omhoog en ik ga even slapen.

 

Verdwaasd sta ik om zes uur in de kombuis.

Ik herinner me vaag dat ik extra brood had ingevroren en ontdooi het.

Mijn opgespaard bier rantsoen van gisteren smaakt naar pis.

Een kater, maar ik drink het op. Het helpt.

Ook de kok verschijnt, hij heeft binnenpret en vraagt waar ik met mijn schoenen gebleven ben. Bij Bonita, zeg ik , maar ze heeft mij gezegd dat uw schoenen daar ook nog ergens liggen.

Bovendeks word het schip klaargemaakt voor vertrek.

Beneden op de kaai staan nog verse voorraden op mij te wachten.

Eieren, groenten, verse gist en aardappelen : zakken van vijftig kilo.

Zelf weeg ik vijfenvijftig.

De zon brand hevig, en na twee zakken ga ik door de knieen.

Die verdomde gangway.

Die verdomde hitte.

Die verdomde kater.

Bakkerke, zegt Zwette Jaak, gij hebt nooit onderscheid gemaakt tussen officieren en mijn matrozen, ik zal u een manneke bijgeven.

Een matroos komt mij helpen.

Ik herken hem, het is de matroos van die taart.

 

Het schip is klaar voor de afvaart.

Binnen een paar dagen zullen we eindelijk terug op volle zee zitten.

 

 

 

Slot

Die eerste reis doen we nog meerdere havens aan.

Houston, Tampa, Galveston, Bremerhaven.

Ik ga alleen in Houston en Bremerhaven kort aan wal.

T-bone steaks in Houston.

Aan boord gebruiken we Argentijns vlees, dat ziet roze-rood uit en is van heel goeie kwaliteit.

Die T-bone steaks in Texas zijn enorm groot en zien er met hun lichtbruine kleur wat vies uit. Maar zo’n lekker vlees heb ik nog nergens geproefd.

We gaan in Houston ook naar het Seamans House.

De kok gaat mij daar leren zwemmen want een zeeman die niet kan zwemmen dat kan toch niet zegt hem.

Ik huur daar een zwembroek en stap in dat zwembad.

Op uwen rug gaan liggen, zegt de kok, en niks doen.

Verbaasd merk ik dat boven blijf.

En nu rustig peddelen met de armen zegt de kok.

Het lukt, ik kan eindelijk zwemmen.

Eindelijk ben ik een échte zeeman.

Kom, zegt hem, nu gaan we in dat ander zwembad, dat is wat dieper.

Ik zink daar als een baksteen en ze moeten mij eruit halen.

De kok staat te gieren aan de kant.

De redder van het Seamans House geeft uitleg.

Dat eerste zwembad was zout water, daar blijft ge vanzelf in drijven.

Ik bekijk de kok eens scheef, maar moet toegeven dat ik weer een les heb bijgeleerd.

 

In Bremerhaven valt niet veel te beleven.

Zatte luidruchtige duitsers, vechtpartijen.

Ik bol het af en ga terug aan boord met een fles jenever.

We zijn bijna terug in de thuishaven en ik begin aan thuis te denken.

 

Eén dag voor we Antwerpen terug bereiken, vraagt den derde om bij te tekenen voor de volgende reis. Afvaart is binnen vier dagen.

Ik vraag een dag bedenktijd, ik wil thuis goedendag gaan zeggen. De lange werkdagen zijn slopend geweest.

Eén van mijn zusters is ondertussen getrouwd, ze bedankt me voor het wenstelegram.

Moeder huilt een beetje, ik heb niet alle dagen geschreven zegt ze.

Ik leg het haar nog eens uit en ga een pint pakken in mijn vroeger stamcafé.

De kameraden hangen aan mijn lippen, maar ik zie ongeloof in hun ogen.

Sterke zeemansverhalen hoor ik iemand fluisteren.

 

Thuis kan ik mijn draai niet goed vinden, ik voel mij onrustig.

Ik word om vijf uur ’s morgens wakker.

Iedereen slaapt dan nog, maar ik wil dan spek en eieren bakken tegen dat ze wakker worden.

Onbegrijpend word ik aangestaard.

Ze herkennen mij niet meer.

Ik neem contact met de rederij en teken bij.

 

Een paar jaar later veranderd de sfeer aan boord van de schepen.

Het aantal bemanningsleden word verminderd. Er worden ook Filipijnen aangemonsterd.

Arme drommels, ongeschoold. Ze werken bijna gratis.

Brood en patisserie komen nu uit de diepvries, de job van 2de kok-bakker wordt afgeschafd.

Ik zou verder kunnen blijven varen als chef-kok maar ik bedank en zoek een job aan de wal.

 

Ik ga werken op de yachthaven van Antwerpen.

Plezierbootjes en yachten aan land brengen voor winterberging.

Na één seizoen hou ik het voor bekeken, ik zie tevéél schepen die passeren.

Er zullen nog veel jobs volgen. Overal bol ik het af na een tijd.

Onrust.

Trouw toch eens en sticht een gezin zegt men mij. Ik schud dan het hoofd.

Het betert, ik leid mijn gedachten af met hobbies.

Electronica en alles wat met zenden en ontvangen te maken heeft.

Het blijft mij voeling geven met die grote verre wereld.

 

Jaren later word in Antwerpen het Sail-evenement georganiseerd.

Prachtige oude zeilschepen lokken honderdduizenden bezoekers.

Er wordt uitgebreid over bericht in de media.

Na twee dagen word de drang te groot en ik stap op de bus richting Antwerpen.

 

Op de kaai sta ik stillekes te kijken naar al die pracht.

Ik voel tranen.

 

Heimwee.

Naar de zee.

Water, al dat water.

 

Jef

 

 

anno 1972