Die eerste reis
door Jef Pijnenburg
Die eerste reis is iets wat een zeeman nooit vergeet,
het is zijn eerste liefde.
Het
voorspel
We
zijn begin de jaren zeventig.
Ik
ben een jong ventje van 19 jaar en wil een stukske van de wereld zien.
Ik bied mij aan op de pool der zeelieden in de
Olijftakstraat in Antwerpen en zeg : ik wil gaan varen.
Das heel goed manneke, we kunnen nog wel wat volk
gebruiken, vult die papierkes hier maar in en biedt u aan bij meneer doktoor.
Meneer doktoor zegt : manneke gij ziet zo scheel als
nen otter, das te gevaarlijk op een schip.
Ik zeg : ik wil gaan varen.
OK zegt hem, maar niet aan dek. Maar in de kombuis is
er geen probleem.
Ik zeg, ik wil varen en ik kan een ei bakken want ik
kom uit een familie van twaalf kinderen.
OK zegt hem, we sturen u naar de zeevaartschool voor
een opleiding als 2de Kok-bakker.
Ik zeg : als ik maar kan gaan varen.
In de zeevaartschool in Oostende worden officieren
opgeleid.
Een bijna militaire sfeer.
Wij, we zijn met vijf, hebben daar minder last van
omdat we goedkoop keukenpersoneel zijn dat tussendoor op drie maanden opgeleid
moet worden tot 2de Kok-bakker voor de langen omvaart.
Na drie maanden slagen we allemaal in de examens,
behalve éne want die wordt betrapt. Hij heeft een foto in zijn persoonlijke
valies van een vrouw met blote borsten. Hij vliegt buiten.
In de examencommissie zitten vertegenwoordigers van de
verschillende rederijen.
De man van UBEM spreekt mij na het examen aan en vraagt
of ik een vast contract wil tekenen voor zijn rederij.
Ik zeg nee want ik wil ongebonden blijven.
En ik voel me wat onzeker, want op drie maanden tijd
maken ze van den eerste beste pipo nen tweede kok-bakker omdat ze toevallig volk
nodig hebben.
Die tweede kok-bakker heeft aan boord dan wel de
verantwoordelijkheid voor zo'n 35 man wat betreft voedsel.
Ik heb dus mijn certificaat en moet mij terug aanbieden
bij meneer doktoor om mijn pietje te laten nazien op vuile ziektes en in het
Tropisch Instituut om wat spuitjes te krijgen tegen yellow fever en andere vieze
dingens.
Ik ga ook mijn zeemansboek afhalen bij de waterschout.
Daarna moet ik mij dagelijks aanmelden in het
aanwervingslokaal der zeelieden.
Dat noemde toen het rattenkot en was gelegen op de
Italielei.
Den eerste dag heb ik al prijs.
Voor de rederij UBEM, een reis naar Noord-Amerika.
Bestemmingshavens zijn o.a. Houston, New-Orleans, Tampa
en Galveston.
Terugvaart bestemmingen staan dan nog niet vast.
Ik teken mijn aanmonstering, en ga een pint pakken.
Die pint ga ik pakken vlak naast het rattenkot, in cafe
Blue-Tax.
Daar zit een kleine rondborstige vrouw en die vraagt
aan mij : wat ist zeeman, is uw geld oep ? Ik ontken.
Aan den toog krijg ik te horen dat Klein Mariake een
sexuele afwijking heeft.
Zij spreekt af met gestrande zeemannen en tegen
betaling doet zij rare dingen met een plexi potteke om aan haar gerief te
geraken.
Ik ga naar de kroeg aan de andere kant van het
rattenkot.
Daar zit Dikke Mit.
De moeder van alle zeemannen.
Dikke Mit begrijpt het leven van een zeeman.
Dikke Mit zit de hele dag achter haar toog op twee
krukken want Mit weegt 145 Kg.
Dikke Mit geeft mij wijze raad om mij als kersverse
zeeman niet te laten vangen tijdens mijn zeemansdoop.
Ik denk het wel te snappen.
De dag erna moet ik om 16H00 aanmonsteren op kaai 408
in Antwerpen.
Vanaf toen zat het spel op de wagen.
![]()
Thuis pak ik mijn valies en neem afscheid van moeder.
Ik moet haar beloven om regelmatig te schrijven.
Dat beloof ik haar, maar ik weet dat daar op zee de fakteur niet alle dagen langskomt.
Aan kaai 408 zie ik mijn schip.
De Chertal is een modern schip zegt de derde stuurman mij met een waals accent.
“Diet skip ies één multi-purpose-bulk-carrier en makt selfs 24 knopen.”
De lading bestaat uit ijzer, auto’s, containers en nog wat autobussen van Van Hool bestemd voor New-Orleans.
Ik bezie dat schip nog eens goed en zie dat het goed onderhouden is.
De kabels om de reddingssloepen neer te laten, zijn zo dikwijls geverfd zodat die nooit meer kunnen bewegen.
Omdat er geen Chief-steward werd gevonden, mag ik die zijn kajuit in gebruik nemen.
Twee
meter op drie meter groot, een kast, een bed en een pompbak, maar ik heb geluk
want ik moet mijn kajuit niet delen met anderen.
Het is tijd om de kombuis en de voorraden te gaan inspecteren.
De kookvuren werken op elentriek, ik heb daar geen ervaring mee.
Van de bakovens werken er maar twee van de vier.
De Chef-kok zegt dat dit allemaal geen probleem is, op zijn vorige reis was hij bakker zoals ik maar is nu gepromoveerd tot Chef-kok.
We zullen er samen dus het beste van maken.
We bespreken mijn taakverdeling.
’s Morgens ontbijt : vers zelf gebakken brood ( op donderdag en zondag pistolékes,sandwichen of kramiek ), spek, eieren gekookt of spiegelei of turn-over of roerei of gepocheerd ei naar keuze.
Bediening
aan de servicetoog is ook voor mij.
‘s
Middags : koude schotel, piccolos of frans brood voor bij de kok zijn soep, en
als er vis of frieten op het menu staan, is dat ook mijn taak. Dessert is vers
gebakken pattisserie.
’s Avonds : Koude of warme schotel, fruit of ijskreem, brood en beleg klaarleggen voor de nachtploeg.
Alle
warme hoofdmaaltijden zijn voor de Chef-kok.
Ik zal dus beginnen ’s morgens om 06H00 tot 13H00, ga dan een uurke rusten, daarna terug van 15H00 tot 19H00. Maar woensdag en zaterdag tot 22H00 want op donderdag en zondag moeten er wat extra’s klaar zijn.
We werken zeven dagen op zeven, maar na 9 maanden is er een mogelijkheid om af te monsteren.
Ik
heb gratis kost en inwoon op het schip en verdien 55 frank per uur.
Ik ben trots, vanaf nu een zeeman denk ik en morgen wordt het een spannende dag.

![]()
Die eerste nacht aan boord slaap ik slecht.
Het
schip is ’s avonds afgevaren en thans zitten we in de drukste en gevaarlijkste
vaarroute die er bestaat, het Kanaal.
Om
06H00 sta in mijn kombuis om aan het brooddeeg te beginnen.
Tot
mijn verbazing staat ook de kok daar al. Alhoewel dat die maar pas om zeven uur
moet beginnen.
Bakker,
zegt hem, gij hebt nog nooit op nen boot gezeten, das hier ander koken-eteke
spelen zoals op uw zeevaartschool. Dat eten moet hier vanaf den eerste dag in
orde zijn want anders gaan we hier een paar maanden dik in de miserie zitten.
Ik
meen het te snappen en zeg : OK en bedankt maat.
Het
deeg staat te draaien, ik steek de bakovens al in gang en haast mij om het
breakfast klaar te maken.
Spek,
vandaag nog brood van aan de wal en tikkeneitjes naar keuze.
Ondertussen
besef ik dat ik voorlopig maar een papieren zeeman ben. Iedereen op dit schip
weet dat het mijn eerste reis is.
Om
zeven uur doe ik het rolluik open tussen de kombuis en de mess van de bemanning.
Zwette
Jaak,bootsman, hun baas, meldt zich als eerste aan.
Zwette
Jaak is ne zwarte en een boom van ne vent.
Bakkerke
zegt hem, voor mij een eitje langs twee kanten gebakken en heel hard gebakken
spek.
Hij
grijnst en ik zie zijn verhakkelde tanden.
Die
doen mij denken aan een schietbarak van de Sinksenfoor.
Ik
schep de bootsman zijn talloor in.
Bakkerke
zegt hem, dat spek is niet hard genoeg gebakken.
Ik
weet direct hoe laat het is.
Ze
willen weten wat voor vlees dat ze in de kuip hebben met mij.
Dus
ik zeg : bootsman, ik kook voor iedereen hetzelfde en maak geen onderscheid voor
niemand niet..
Nee,
zegt Zwette Jaak, ik wil heel hard gebakken spek.
Ik
zeg : Ok, bootsman we gaan dat hier direct oplossen want er staan hier nog
mensen op hun eten te wachten.
De
matrozen zijn plotsklaps klaarwakker en kijken gniffelend toe.
Ik
trek quasi kalm mijn T-shirt uit.
Iedereen
ziet mijn bloot bovenlijf.
Een
smal ventje, mijn ribben zijn zichtbaar en mijn forsballen zien er uit als
ping-pong ballekes.
Zwette
Jaak rolt met zijn ogen en ik zeg :
Uw
spek opvreten of anders op mijn bakkes slagen.
Zwette
Jaak snapt het en zegt dat hij slecht geslapen heeft en het allemaal zo niet
bedoelde.
Zaak
afgesloten, maar na de service sta ik stillekes op mijn beentjes te bibberen.
Ik
ben gewikt en gewogen en goedgekeurd.
Inwendig
ben ik opgelucht dat mijn bluf gewerkt heeft, Zwette Jaak kan zich niet
belachelijk maken door dat tenger bakkerke wat kletsen te geven.
Had
ik wél wat kletsen gekregen, had ik moeten zeggen :
Ok
mannen,
Ik
heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws.
Het
slechte nieuws : vanaf vandaag staat er alle dagen stront op het menu.
Het goede nieuws : der is genoeg voor iedereen.
Ze
zouden der niet mee gelachen hebben.
De
rest van de reis komen Jaak en ik overeen.
De
reis is pas begonnen en ook ik begin één en ander te snappen.
Binnen een paar dagen zitten we voorbij het Kanaal en echt op zee.
![]()
Begin
ik mijn draai te vinden.
We
zijn dat ellendig Kanaal uit, de Azoren gepasseerd en zitten nu op den Atlantic
richting Noord-Amerika.
Het
zijn lange werkdagen maar ik vind dat ik mijn 55 frank per uur waard ben.
Ik
heb ondertussen ook de zwalpende zeemansgang aangeleerd.
Dat
schip beweegt op en neer en af en toe ook zijwaarts, maar er zit een vast ritme
in want het weer is redelijk. Het went.
Diet
ies een koed skip zei de derde stuurman.
De
bemanning doet niet moeilijk over het eten, afgezien van het normale klagen.
Onaangekondigd
is er inspectie in de kombuis door de tweede en de derde stuurman en ik moet op
het matje komen bij den Ouwe.
Bakker
zegt hem, gij hebt geen grote blokken ijs in de frigo’s klaarliggen.
Blijkt
dat die nodig zijn om in geval dat er iemand appendicitis krijgt , die te kunnen
koelen want een doktoor is niet mee vertrokken met ons schip.
Ik
ben overtuigd van de noodzaak en maak er werk van.
Terug
in de kombuis merk ik dat de chef-kok en de koksmaat rel hebben gehad.
De
koksmaat zijn neus bloed, hij ziet wat bleek en is heel stillekes.
Danny
de koksmaat is een gastje van zeventien en is gaan varen op aanraden van de
jeugdrechter omdat ze dat krapuuleke beu werden.
Ik
moei mij er niet mee maar krijg later van de kok te horen dat Danny in mijnen
deeg had gepist tijdens mijn afwezigheid om mij te pesten omdat ik nen
bleu ben.
Ik
beschouw de zaak als afgehandeld, Danny heeft loon naar werken gehad.
’s
Middags doe ik dat rolluik open voor de service en zie daar in de mess van de
matrozen, den deckboy liggen in een plas kots.
Zeeziek
brabbelt hem.
Komaan
deckboy zegt de kok, uw tafels moesten al gedekt zijn.
Zwette
Jaak komt binnen en zegt tegen het hoopje ellende : zeeziekte telt niet aan
boord, rechtstaan of anders wat lappen.
Hij
krijgt wat lappen.
Vijf
minuten later staat hij de tafels te dekken.
Na
de service heb ik een uurtje vrij en besluit om wat frisse lucht te happen boven
op het achterdek
Daar
ligt Pascal, één van de twee stewardessen, te zonnen in bikini.
Dag
bakkerke zegt ze, kunt gij voor mij vanavond een extra ijskreem arrangeren ?
Ik
zeg nee. En ga naar mijn kajuit om nog een half uurke uit te rusten.
Daar
probeer ik na te denken.
Wat bezielt die vrouw toch ?
![]()
Pascal,
de stewardess is bij den Ouwe moeten komen en heeft daar een uitbrander
gekregen.
Ambras
tussen de matrozen door haar bikini optreden.
Ze
snapt er niks van.
Terug
in de mess barst ze in tranen uit : Ik heb toch niks verkeerd gedaan ?
Maria,
de andere stewardess, krijgt een doffe blik in de ogen en verlaat hoofdschuddend
de mess. Maria vaart al 10 jaar als vrouw in een mannenwereld. Maria snapt het
wél.
Eén
van de matrozen slaat zijn arm rond de schouders van Pascal om troost te bieden.
Meekomen
zegt Zwette Jaak tegen de matroos.
De
dag erna zie ik dat de matroos een gekloven lip heeft.
Het
leven aan boord gaat verder.
’s
Middags tijdens mijn korte pauze, ga ik op het achterdek om een sigaretje te
paffen.
Het
is hoogzomer en ik aanschouw de onmetelijkheid van de zee.
De
zon priemt door enkele gaten tussen de wolken.
Dat
geeft prachtige, enorme lichtbalken die reflecteren op het kabbelende water.
Onnoemelijk
schoon is dat.
Ik
krijg er tranen van in mijn ogen maar moet terug aan het werk.
Als
ik de deur van de kombuis opendoe, zoeft er een groot vleesmes rakelings langs
mijn oor.
Ik
ben vergeten dat de kok daar een vleesplank heeft opgehangen om te vogelpikken
met zijn messen.
De
kok grijnst en zegt : Bakker, haalt nog eens een stuk koei uit de frigo dan
kunnen we die ontdooien en versnijden.
Das
een goed gedacht zeg ik. Rosbief en biefstukken voor de bemanning en de filet
pur is voor ons zelf.
In
de frigokamer is het – 40 graden
en ik ben daar een kwartier bezig om dat beest los te kappen want dat stuk koei
is vastgevrozen aan de wand.
Wat
later lig ik in de kombuis op de grond en staar verdwaasd naar de kok en de
eerste stuurman.
Thermo-shock
zegt de stuurman, ge zijt van uw stokske gegaan.
Ik
snap er niks van en ze leggen het me uit.
In
de frigo is het – 40 en in de
kombuis + 50 . Dat is een verschil van 90 graden.
Ik
voel me maar een stomme kloot, zwijmel recht en hang die koei aan een zeel
omhoog om te ontdooien.
Aan
boord wordt er ook aan ruilhandel gedaan.
De
kok kweekt vliegen op een rauwe lap vlees.
Die
vliegen ruilt hij voor bierrantsoenen.
Ze
trekken dan die haar vleugels uit en laten die over hun gevoeligste lichaamsdeel
rondkruipen.
Spaanse
vlieg noemt de bemanning het.
Ook
ik doe zaakjes.
Ik
sta in voor het verdelen van het bierrantsoen.
Per
dag 2 flesjes de man.
Bij
zo’n tropische temperaturen is daar vraag achter.
Ik
zeg tegen de matrozen dat ze hun leeggoed mét stopke moeten inleveren.
Ik
nijp die stopkes terug op dat leeg flesje en smijt die kapot in de koelkamer.
Tegen
de officier zeg ik dat er wéér wat kratten pils zijn omgevallen door het
schuiven van de lading.
Hij
begrijpt het wel.
Ondertussen naderen we de Bermudas en er wordt zwaar weer verwacht.

m/s Chertal
![]()
We
zijn de Bermuda’s voorbij en komen in de Golf van Mexico.
Ik
ben vermoeid door de lange werkdagen en de extreme temperaturen.
Om
de twee dagen word de klok verzet wegens het tijdsverschil.
Slopend.
Maar
tijdens mijn namiddagpauze ga ik niet rusten en wil ik al dat water zien.
De
kleur is veranderd, het ziet er thans lichtjes groen uit.
En
er is ook activiteit, die dolfijnen volgen dit schip al twee dagen.
Ik
zie ook zilverachtige vissen die opduiken uit het water en pas meters verder
terug onderduiken.
Vliegende
vissen.
Meeuwen
zijn nog niet te bespeuren, we zijn nog dagen verwijderd van land, en de Golf
van Mexico blijkt groter dan mijn atlasboekske deed vermoeden.
Ik
geniet nog even en ga terug benedendeks, die zon brandt te fel.
In
de kombuis staat den derden.
Hij
heeft extra zouttabletten bij voor ons.
Zout
houd het vocht in het lichaam langer vast zegt hem.
In
de kombuis komen die extra tabletten wel van pas.
We
zitten niet zover van de evenaar en soms loopt de temperatuur in de kombuis op
tot 50 graden en meer.
Hij
geeft mij ook opdracht om nog méér zout in mijn brooddeeg te doen.
Dat
gaan platte broden worden want gist en zout gaan niet te samen.
Twee
dagen geleden hebben ze aan dek nog badminton gespeeld met mijn mislukte pistolékes.
Meer
zout bakker zegt hem en ik knik ongelukkig starend.
Die
nacht word ik wakker.
Dat
schip doet raar, iedere keer bij het neerkomen van de boeg, voel ik het schip
stuiteren.
Drrrrr,
drrroeng,dak dak dak
Ook
de zijwaartse bewegingen zijn heviger en onregelmatiger.
Ik
spring uit mijn kooi en wil aan de pompbak eerst mijn kop onder de kraan houden
om wakker te worden.
In
de spiegel zie ik op mijn beide bovenarmen een reusachtige blaar staan vanaf de
elleboog tot aan de schouder.
Pas
dan begin ik de pijn te voelen, en ik besef dat Maria, de stewardess gelijk had.
Ze
had mij gewaarschuwd voor die
stekende zon.
Maar
ik haast mij naar de kombuis om zeker te zijn dat de patrijspoorten nog goed
vergrendeld zitten, want die zitten vlak boven de waterlijn.
Onderweg
is het druk, iedereen is wakker geworden, er is werk aan de winkel.
In
de kombuis blijkt alles nog in orde en de kok arriveert ook.
Hij
heeft extra touwen mee om de kookpotten vast te binden op het fornuis.
De
zeezieke deckboy is nergens te bespeuren maar gelukkig voor hem heeft Zwette
Jaak nu andere zaken te regelen.
De
kok en ik besluiten om het menu aan te passen.
Normaal
koken of bakken is nu onmogelijk.
De
storm zal twee dagen duren volgens de stuurman.
Later
op de dag beziet den eersten mijn bovenarmen.
Brandwonden
tweede graad zegt hij, het vlees onder de huid is ook geraakt.
Ze
wikkelen mijn bovenarmen in met verband gedrenkt in levertraan.
Dagen
aan een stuk stink ik naar rotte vis.
Ik probeer het allemaal positief te bezien, nog een dag of vier en dan komen we aan in New-Orleans.

woelig water
![]()
Na
twee dagen is de storm niet geluwd, hij is gewoon verdwenen.
Even
snel als hij kwam opzetten.
De
zon brandt heviger als tevoren, de zee ligt er rimpeloos bij en ik zie ook die
dolfijnen terug fratsen uithalen.
De
schade word opgemeten, de lading blijkt intact.
Iedereen
aan boord loopt rond met een glazige blik in de ogen. Slaapgebrek en uitgeput
door die storm.
Maar
we zijn content dat die storm over is.
In
de kombuis komt den derden langs op inspectie.
Er
is geen schade en de frigo’s draaien normaal.
Hij
geeft ons opdracht om wat extra’s klaar te maken.
De
kok en ik zetten frieten, koude schotel, en deze keer filet pur voor iedereen op
het menu.
Dat
kost den derden weeral twee flessen Bacardi want anders worden het gewone
kotteletten.
Hij
ververst ook de verbanden aan mijn bovenarmen en ik krijg eindelijk
pijnstillers.
Ik
zeg tegen hem, stuurman dit ies een koed skip.
Hij
mompelt wat en verdwijnt.
Tegen
de middag sta ik frieten te bakken en de kok is bezig met die koei.
We
klappen wat over de vrouwen in New-Orleans.
Bakker
zegt hem : Daar in New Orleans weet ik nog een goed wefke zitten voor u.
Die
heeft tetten joeng, daar kunde gij een pint op rechtzetten.
De
koksmaat knikt instemmend.
Net
als ik wil vragen wat voor bier ze daar drinken, horen we een enorme dreun.
Heel
dat schip davert.
Een
explosie.
De
braadslee met de filet pur klettert tegen de vloer.
Sprakeloos
kijken we elkaar aan.
De
vuren afzetten zegt de kok.
Terwijl
ik de vuren en mijn ovens uitschakel, hoor ik de scheepshoorn een paar keer
blazen.
Dat
waren er zeven zegt de kok, en hij slaat lijkbleek uit.
Door
de intercom klinkt een zenuwachtige stem : prepare to abandon ship.
Ik
besef dat het ernst is en er gebeurd iets raars met mij.
Ik
lijk het gevoel te hebben dat ik hier niet ben en ervaar alles zoals in slow
motion.
Mijn
instinct heeft de controle overgenomen.
Als
een robot haal ik in mijn kajuit mijn life-jacket op en begeef mij naar het
bovendek.
Dat
hebben we geleerd tijdens de verplichte alarm oefening.
Pekzwarte
rook komt er uit de schouw.
Op
het bovendek zie ik maar de helft van de bemanning.
De
stuurman zegt dat ze aan het blussen zijn.
Hij
meld ons dat de machines door het zware weer overbelast zijn geweest.
Er
is een explosie geweest in de machinekamer gevolgd door een brand.
We
moeten hier op het bovendek stand by blijven en wachten op het bevel om de
reddingsloepen te water te laten zakken.
Afwezig
staar ik naar de toegeverfde kabels.
Een
uur later komt door de intercom de melding dat thans alles onder controle is.
Ik
kom terug tot mijzelve en merk dat ik op mijn benen sta te daveren.
Bakkerke,
zegt Maria, gij hebt uw life-jacket achterste te voren aan.
Ik
schrik, bedank haar en zeg verder niets.
Ik
kan niet zwemmen maar wil niet dat ze dat weten.
Het
alarm word afgeblazen en een waarschuwingsvlag word gehesen.
Het
schip heeft geen aandrijving meer en is stuurloos.
En
een anker heeft geen zin, dat water is te diep.
Het
zal twee dagen duren voordat alles hersteld is.
In
de kombuis rapen we de filet pur terug op, en maken een nieuwe planning op.
In
de machine kamer zal ook ’s nachts moeten gewerkt worden en die mannen gaan
extra eten nodig hebben.
New-Orleans zal nog even moeten wachten.
![]()
Op
halve kracht bereiken we New-Orleans.
Er
zal een herstellingsploeg aan boord komen.
De
sfeer aan boord is goed, want het betekent dat we uitzonderlijk lang aan de wal
zullen liggen.
Een
nacht en een dag.
Ik
heb tijdens mijn pauze een taart gebakken voor één van de matrozen.
Hij
wil die mee aan wal nemen, zijn zeemanslief is verjaard.
Ik
maak een bisquit met abrikozen vulling, doe er marsepein rond en werk af met
echte Belgische chocolade.
Hij
glundert, met die chocolade gaat hij scoren.
Bakker,
boven komen bij den Ouwe, krijg ik van de deckboy te horen.
Den
Ouwe heeft nieuws voor mij.
Gij
moogt van de Amerikanen dan toch aan wal gaan bakker, het probleem met uw
papieren is opgelost. Ze geven u een tijdelijke permit, maar uw zeemansboek moet
aan boord blijven. De rederij was vergeten een paar papieren na te sturen.
Ook
ik glunder nu en vraag een voorschot op mijn gage.
Tweehonderd
dollar.
Ik
krijg er honderd.
Om
zeven uur is mijn dienst gedaan en fris gewassen dalen we een half uur later de
gangway af. De kok, koksmaat, enkele matrozen en een aspirant-officier.
Op
aanraden van de kok verstop ik een deel van mijn geld in mijn schoenen.
Beneden
op de kaai staan twee mannen ons op te wachten in maatpak.
Cops,
fluistert de kok.
What’s
in that box willen ze van de matroos weten.
Birthday
cake zegt hem.
Hij
moet ze openmaken en de cop begint met een knipmes in de taart te steken.
Checking
for drugs zegt hem.
Ik
ontplof en geef die smeerlap een duw.
Blijf
van die taart af, schreeuw ik.
Meekomen
naar het bureau klinkt het.
De
eerste stuurman word er bijgeroepen.
Na
wat gepalaver en wederzijdse excuses is the case closed.
Wat
later stappen we in onze wachtende taxi’s.
To
Bourbon street zeggen we.
Onze
cabdriver is goed gezind, hij heeft de vlag van ons schip gezien en weet dat hij
drinkgeld zal krijgen.
In
Bourbon street zwalpen we over straat.
De
zeemansgang, na weken op zee blijkt het moeilijk stappen op vaste grond die niet
beweegt.
Drunken
sailors hoor ik voorbijgangers schamper zeggen.
We
belanden in een bar met topless bediening.
We
zijn de jaren zeventig en ik heb zoiets nog nergens gezien.
Aan
het plafond hangt met touwen een schommel. De benen van het meisje zijn telkens
zichtbaar op straat door een gat in het venster. Good for bussines zegt de
barman.
We
drinken Budweiser. Big bud’s. Glazen kannen van vijf liter. Het smaakt naar
pis.
Everything
is big hier, ook de borsten van één van de diensters.
Na
één can spreekt de kok haar aan.
Voor
vijf dollar klimt ze op onze tafel en danst voor ons.
De
jukebox speelt een plaatje van Cher : Gypsies, tramps and thieves.
Het
is weken geleden dat ik nog muziek heb gehoord, ik geraak in stemming.
Nog
een can later vraag ik aan de kok waar dat speciaal wefke zit.
Hij
geeft mij het adres.

Hi,
sailor, lacht ze lief. My
name is Bonita. You give me first the money.
Ze
heeft een prachtig lichaam, maar er gebeurt niks met mij.
Te
veel drank. Everything is Big in Amerika, maar niet bij mij.
Giechelend
werkt ze mij de deur uit.
Buiten
wenk ik een cab. Pas de tweede wil stoppen.
Raar.
Ik
weet de weg naar het schip niet meer.
No
problem, mister. What is the name of your ship ?
Hij
checkt zijn shiplist en weet waar ik moet zijn.
Als
we arriveren, merk ik dat ik geen schoenen aan heb.
De
schoenen waar mijn geld in zat.
Te
laat en terugrijden zal niet helpen.
Bonita
zal moeilijk terug te vinden zijn.
De
cabdriver kijkt zuur, is there a problem mister ?
De
matroos van wacht is de gangway afgedaald.
Samen
vinden we nog genoeg klein geld.
Den
Ouwe was nog zo zot niet besef ik, het scheelt mij honderd dollar.
Kom,
bakker zegt de matroos, het is al halfvier en om halfzes moet ik u al komen
wekken.
Ik
geef hem zijn beloofde fles drank
Hij
helpt mij de gangway omhoog en ik ga even slapen.
Verdwaasd
sta ik om zes uur in de kombuis.
Ik
herinner me vaag dat ik extra brood had ingevroren en ontdooi het.
Mijn
opgespaard bier rantsoen van gisteren smaakt naar pis.
Een
kater, maar ik drink het op. Het helpt.
Ook
de kok verschijnt, hij heeft binnenpret en vraagt waar ik met mijn schoenen
gebleven ben. Bij Bonita, zeg ik , maar ze heeft mij gezegd dat uw schoenen daar
ook nog ergens liggen.
Bovendeks
word het schip klaargemaakt voor vertrek.
Beneden
op de kaai staan nog verse voorraden op mij te wachten.
Eieren,
groenten, verse gist en aardappelen : zakken van vijftig kilo.
Zelf
weeg ik vijfenvijftig.
De
zon brand hevig, en na twee zakken ga ik door de knieen.
Die
verdomde gangway.
Die
verdomde hitte.
Die
verdomde kater.
Bakkerke,
zegt Zwette Jaak, gij hebt nooit onderscheid gemaakt tussen officieren en mijn
matrozen, ik zal u een manneke bijgeven.
Een
matroos komt mij helpen.
Ik
herken hem, het is de matroos van die taart.
Het
schip is klaar voor de afvaart.
Binnen een paar dagen zullen we eindelijk terug op volle zee zitten.
![]()
Die
eerste reis doen we nog meerdere havens aan.
Houston,
Tampa, Galveston, Bremerhaven.
Ik
ga alleen in Houston en Bremerhaven kort aan wal.
T-bone
steaks in Houston.
Aan
boord gebruiken we Argentijns vlees, dat ziet roze-rood uit en is van heel goeie
kwaliteit.
Die
T-bone steaks in Texas zijn enorm groot en zien er met hun lichtbruine kleur wat
vies uit. Maar zo’n lekker vlees heb ik nog nergens geproefd.
We
gaan in Houston ook naar het Seamans House.
De
kok gaat mij daar leren zwemmen want een zeeman die niet kan zwemmen dat kan
toch niet zegt hem.
Ik
huur daar een zwembroek en stap in dat zwembad.
Op
uwen rug gaan liggen, zegt de kok, en niks doen.
Verbaasd
merk ik dat boven blijf.
En
nu rustig peddelen met de armen zegt de kok.
Het
lukt, ik kan eindelijk zwemmen.
Eindelijk
ben ik een échte zeeman.
Kom,
zegt hem, nu gaan we in dat ander zwembad, dat is wat dieper.
Ik
zink daar als een baksteen en ze moeten mij eruit halen.
De
kok staat te gieren aan de kant.
De
redder van het Seamans House geeft uitleg.
Dat
eerste zwembad was zout water, daar blijft ge vanzelf in drijven.
Ik
bekijk de kok eens scheef, maar moet toegeven dat ik weer een les heb
bijgeleerd.
In
Bremerhaven valt niet veel te beleven.
Zatte
luidruchtige duitsers, vechtpartijen.
Ik
bol het af en ga terug aan boord met een fles jenever.
We
zijn bijna terug in de thuishaven en ik begin aan thuis te denken.
Eén
dag voor we Antwerpen terug bereiken, vraagt den derde om bij te tekenen voor de
volgende reis. Afvaart is binnen vier dagen.
Ik
vraag een dag bedenktijd, ik wil thuis goedendag gaan zeggen. De lange werkdagen
zijn slopend geweest.
Eén
van mijn zusters is ondertussen getrouwd, ze bedankt me voor het wenstelegram.
Moeder
huilt een beetje, ik heb niet alle dagen geschreven zegt ze.
Ik
leg het haar nog eens uit en ga een pint pakken in mijn vroeger stamcafé.
De
kameraden hangen aan mijn lippen, maar ik zie ongeloof in hun ogen.
Sterke
zeemansverhalen hoor ik iemand fluisteren.
Thuis
kan ik mijn draai niet goed vinden, ik voel mij onrustig.
Ik
word om vijf uur ’s morgens wakker.
Iedereen
slaapt dan nog, maar ik wil dan spek en eieren bakken tegen dat ze wakker
worden.
Onbegrijpend
word ik aangestaard.
Ze
herkennen mij niet meer.
Ik
neem contact met de rederij en teken bij.
Een
paar jaar later veranderd de sfeer aan boord van de schepen.
Het
aantal bemanningsleden word verminderd. Er worden ook Filipijnen aangemonsterd.
Arme
drommels, ongeschoold. Ze werken bijna gratis.
Brood
en patisserie komen nu uit de diepvries, de job van 2de kok-bakker
wordt afgeschafd.
Ik
zou verder kunnen blijven varen als chef-kok maar ik bedank en zoek een job aan
de wal.
Ik
ga werken op de yachthaven van Antwerpen.
Plezierbootjes
en yachten aan land brengen voor winterberging.
Na
één seizoen hou ik het voor bekeken, ik zie tevéél schepen die passeren.
Er
zullen nog veel jobs volgen. Overal bol ik het af na een tijd.
Onrust.
Trouw
toch eens en sticht een gezin zegt men mij. Ik schud dan het hoofd.
Het
betert, ik leid mijn gedachten af met hobbies.
Electronica
en alles wat met zenden en ontvangen te maken heeft.
Het
blijft mij voeling geven met die grote verre wereld.
Jaren
later word in Antwerpen het Sail-evenement georganiseerd.
Prachtige
oude zeilschepen lokken honderdduizenden bezoekers.
Er
wordt uitgebreid over bericht in de media.
Na
twee dagen word de drang te groot en ik stap op de bus richting Antwerpen.
Op
de kaai sta ik stillekes te kijken naar al die pracht.
Ik
voel tranen.
Heimwee.
Naar
de zee.
Water,
al dat water.
Jef

anno 1972