Onder Belgische vlag

door  Eddy Lucas

Inleiding:

Belgische rederijen zijn er nog altijd, er zijn er zelfs bijgekomen. 

Maar op weinig schepen wappert de Belgische vlag nog achteraan.

Allemaal uitgevlagd zoals men dat noemt. De Pool der Zeelieden bestaat nog.

Een stukje geschiedenis:

De wet van 21 juli 1844 op grond waarvan de Hulp- en Voorzorgskas voor

Zeevarenden onder Belgische vlag bij koninklijk besluit van 19 september 1845 werd opgericht,

is de oudste sociale zekerheidswet uit de Belgische geschiedenis.

De thans nog geldende besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de

maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij bevestigt het bestaan

van een afzonderlijke regeling voor de zeelieden ter koopvaardij met eigen

administratieve en financiële structuur. De taken inzake inning en de verdeling van

de sociale zekerheidsbijdragen zijn in feite van in het begin toevertrouwd aan de

Hulp- en Voorzorgkas, die tevens instaat voor de uitbetaling van de prestaties en van

de ziekte- en invaliditeitsverzekering voor de zeelieden. In 1945 werd tevens de Pool

der zeelieden opgericht, als een bijzondere instelling inzake tewerkstelling en

werkloosheid voor de werknemers tewerkgesteld in de koopvaardij.

 

Toen ik deze verhaaltjes begon te schrijven wist ik niet wat het eigenlijk worden zou.

In alle geval geen roman. Mijn doelstelling is om de nagedachtenis van de zeelui

levendig te houden. Destijds was het beroep van zeeman meer in dan nu.

Iedereen in Antwerpen kende wel iemand in familiekring of in de straat die naar zee ging.

Natuurlijk is er nu nog de Zeevaartschool waar jongelui kunnen studeren voor een

carrière als officier of werktuigkundige. De andere beroepen aan boord,

destijds aangeleerd door de jongens uit de straat raakten de laatste decennia meer en meer

in verdrukking. Door mechanisatie en laatst nog meer door uitvlaggen van Belgische

schepen naar vreemde vlag. Een operatie die als resultaat had dat er steeds meer

vreemdelingen aangetrokken werden.

Het kan nu een stukje folklore genoemd worden. Wat betreft stielkennis, of

zeemanschap waren er figuren die met kop en nek boven de anderen uitstaken.

Tijdens recente scheepsrampen zijn meer dan eens de woorden gevallen: ‘…bij

gebrek aan zeemanschap…’. Destijds, aan boord, groeide het beroep van matroos

uit tot een kunst. Het creëren van kunstige voorwerpen, uit resten touw, met steken

en fantasieknopen werd voor velen een hobby.

Natuurlijk waren er de extravagante figuren en werd in de havens meestal een stevig

glas gedronken. Er zijn de verhalen over de fratsen van ‘’t paard’, ‘de vliegende

engel van Matadi’, ‘den jap’, ‘de cowboy’, ‘Jef stront’, 'sneeuwwitje', ’tarzan’ en zovele

anderen. Vooral in de kroegen van ‘dikke Mit’, bij ‘vuil Erna’ daarnaast in ‘Den

Bleu Tax’ of op de hoek in de Viking bij ‘Ben den Egyptenaar’ , werden de anekdotes

eindeloos opgehaald.

Dat is de werkelijke bedoeling van deze verhalen. Iets van dat alles behouden,

voordat het vervaagt en voorgoed verdwijnt in de nevelen van het verleden. Zeker is

het niet de bedoeling iemand te krenken of pijn te doen. De bijnamen wilde ik, of

beter gezegd moest ik behouden omdat ze kleur en pittigheid aan het verhaal geven.

Die mensen waren zo en velen zijn niet meer onder ons. We mogen ook niet uit het

oog verliezen dat het, de straffe verhalen daargelaten, hardwerkende mensen

waren. Ontegensprekelijk zijn er de duizenden en duizenden werkuren op zee in

vaak barre weersomstandigheden, in extreme hitte of koude. Dat komt natuurlijk ook

aan bod. Een schip met zatlappen behoort tot de fabels. Op zee werd er weinig of

niet gedronken. Het was werken en wachtlopen dag in dag uit, ook op zon- en

feestdagen. Dat gold vaak ook in de haven en vooral voor de stewards en het

keukenpersoneel. Varen is in de eerste plaats hard labeur. Het is geen wonder dat er

zich spanningen en stress manifesteren die elkeen op zijn manier afreageert.

Oscar De Vrieze (een voor mij onbekend zeeman), in een poëtische bui, schetste het

als volgt:

 

De zeemansschepping. (door Oscar De Vrieze)

God schiep lucht, hemel en aarde,

goedheid, deugd en alles van waarde,

vissen, mensen en dieren

maar geen zeevaartofficieren.

Zulke lelijke creaturen

schiep de duivel in zijn overuren.

Hij maakte het zodanig bont

dat hij een kapitein uitvond.

Het zondagswerk voor zo'n vent

was natuurlijk aan 200 percent.

Het ergste was dat hij aan zo'n onnozelheid

meer dan vier uur heeft gewijd.

Maar God, de schepper, was ontevreden.

Daarom creëerde Hij zelf de bemanningsleden

en om ze weg te houden van verderf en bedrog

belastte Hij hen erfelijk met een dagje Log.

Werkelijk, de Heer heeft alles voorzien,

zelfs een manklopende machine

en om de lekken te beperken,

liet Hij de machinisten werken.

Maar de duivel in zijn boosheid,

beging een grote stommiteit:

om het voeden van zijn mannen

schiep hij "potten en pannen".

Hij heeft nooit niet kunnen wensen

dat de keukenmensen

met hun etensresten

gans het schip verpesten.

Toen in de oude tijd

de Schepping werd uitgebreid,

brachten kakkerlakken en mieren

de pest der radio-officieren.

Zo'n schone beesten

werden, zoals de meesten,

langs alle kanten

heel verre bloedverwanten.

Dit was de eerste trip

van een Belgisch schip:

kust; zee en haven

vrouwen bedden en slaven.

Tegen de kaai, heeft men gedacht

aan het nageslacht

want men kan nooit weten

dat een zeeman wordt vergeten…

 

 
 

 

M/S TENIERS 

Het zeemansleven is niet altijd zo romantisch als in de literatuur beschreven wordt.

Na enige jaren op zee gezwalpt te hebben weet men wel beter! 

En toch is het de geur van romantisme en avontuur dat menig kandidaat destijds de weg naar de Pool
der Zeelieden deed vinden. De zeelui die er al wat reizen hadden opzitten vonden
het gezwam over romantisme en avontuur gewoon lulkoek …
De Pool was in de zestiger jaren, toen ondergetekende de stoute schoenen aantrok
en zich ging aanmelden, nog in het Hansahuis op de hoek van de Suikerrui 

en de E. Van Dijckkaai gevestigd. Aan het loket zat een heertje dat vroeg of ik diploma’s had.
Nee dus. Ja, dan is er nog plaats als wiper. Wist ik veel wat een wiper was. 

Kuiser in ‘t machien, klonk het vanachter het loket.
Allee vooruit dan maar. Na de nodige formaliteiten naar ‘t rattekot op de Italiëlei. 

En X-aantal dagen later aangemonsterd voor het ms. Teniers, een schildersboot.

 

 

 

 

Daar verstond ik ook de ballen van. Enfin, het bleken vier zusterschepen te zijn met de

namen van befaamde schilders: de Jordaens, Rubens en de Memling waren zijn

zusterkes, zei men me. Naar ‘t loodswezen om de rol te tekenen. Binnen en buiten

want ik was alleen gemonsterd want den Teniers stond eigenlijk niet op het bord.

‘t Moest nogal vlug gaan want ik werd in de namiddag om vier uur aan boord

verwacht. Rap inpakken, afscheid nemen en weg. Den Teniers lag daar aan kaai

211 te blinken in de namiddagzon en men laadde de laatste pakken ijzer. Ik vond het

een mooi schip. Een lichtgrijze romp en spierwit midships, de schouw in het oranje,

de CMB kleur.

Inderdaad had een van de wipers zijn kat gestuurd, daarom was ik op ‘t onverwacht

gemonsterd. Ik stommelde met mijn valies de gangway op en botste op een kerel

van de shore-gang. Die wist ervan. “De wiper zeker?”. “Ja.” “Ik zal wijzen waar de

stuur zit. Enne dat hier is je kabine.” Allee vooruit, ik stond er ineens met mijn

smikkel voor. Boven vroeg de stuur of ik al wist waar mijn kajuit was. Ja dus. De

man stak zijn neus terug tussen zijn papieren en ik dan maar terug enkele verdiepen

lager om mijn boeltje uit te pakken.

Aan het gestommel te horen had ik een gebuur. Die kwam even later na een tikje op

de deur binnengewandeld en stond erop me rond te leiden na een korte

kennismaking. We moesten die dag niet meer naar beneden en hadden de tijd. De

matrozen maakten zeeklaar en hadden verder ook niet veel te doen want het schip

zou ‘s nachts vertrekken.

Zo gebeurde ook. Ik werd wakker door het gekraak toen we reeds de Schelde

afwaren en in ‘t Kanaal lagen met bestemming Le Havre. Met het begin van dat

gekraak was het ook gedaan met slapen.

Te 5 u 30 werd er gepord om zes uur te beginnen. Ons eerste jobke was de stores

bestemd voor de machinekamer naar beneden brengen bij het naderen van Le

Havre.

Het moet gezegd, om twaalf uur werd er een maaltijd op tafel gezet om u tegen te

zeggen, kokkie mocht er zijn! Altijd was de kok een omstreden figuur aan boord, het

waarom laat zich gemakelijk raden. Er waren koks die de ingrediënten optimaal

gebruikten en de gehele crew reikhalzend uitkeek naar de maaltijden en zich te

pletter vrat. En dan de anderen … de worstenkoks.

Als te Le Havre de Belgische biercultuur verwisseld werd voor de meer verfijnde

Franse drinkcultuur, namelijk pastis of pernod, kon het wel even uit de hand lopen.

Vooral als het vertrek plaatsvond in de vroege morgen.

Ik hing met Theo mijn collega-wiper op de verschansing toe te kijken bij het vertrek,

en eerlijkheidshalve ook om de hoofdpijn wat te lenigen, toen tot onze verbazing

wiper nummer 3, Michel kwam toegelopen toen de matrozen de net opgehaalde

valreep aan ‘t verzekeren waren. Men wist niet dat de vent nog niet terug aan boord

was. Wel dat hij er de vorige avond flink invloog. Het schip werd zo dadelijk

losgegooid. Het manoeuvre kon zonder toestemming van bovenaf niet meer

teruggedraaid worden. Daarom keken de matrozen vragend naar de kapitein en de

loods die vanop de brug het tafereeltje gadesloegen. Den ouwe deed teken om de

valreep terug naar beneden te laten. De verloren zoon kwam vloekend en scheldend

op van alles en iedereen aan dek gewaggeld. Voor niets anders goed dan om de

roes uit te slapen. Daags nadien, werd hij boven bij de kapitein op ‘t matje geroepen.

Hij kon kiezen tussen de voorgeschreven dagen log of een beperking van de

geldopname gedurende de reis. Michel koos voor het laatste en volgde een

verplichte rustkuur. Een dag log betekende dat het misdrijf in het logboek vermeld

werd en dat er een dag van de gage afgehouden werd. Weken later toen iedereen

aan de rol ging in Mexico en de Golfhavens was men van oordeel dat Michel er door

zijn verplichte regelmaat steeds beter ging uitzien.

 

Toen de “kleine spiegel” tijdens de reis drie dagen log opliep, en op een nogal

eigenaardige manier reageerde, zorgde dat voor heel wat hilariteit in 't rattekot. Thuis

gekomen nadat hij uitbetaald was met aftrek van het log zei hij tegen zijn vrouw:

“maak de kinderen klaar! Ge moet je niet ongerust maken er gebeurt hen niets!”

Vrouwlief voldeed aan zijn verzoek. De kleine spiegel nam hen mee, ordentelijk

gekleed en de haartjes net gekamd door mama naar de kapitein in ‘t rattekot. Hij zei:

“hier zie, ik laat ze drie dagen hier. Drie dagen geen pree! Geeft gij ze maar te

vreten!” Waarop hij tot grote ontsteltenis van de man naar buiten beende.

Na Le Havre werd de oversteek van de Atlantic gemaakt naar de Golf van Mexico.

Port Everglades of Miami waren gewoonlijk de aanloophavens tijdens een Golfreis.

 

De Teniers liep na valavond binnen te Port Everglades (Florida). De kade werd goed

verlicht en liet een verzorgde indruk na. De hangars waren in lichte kleuren

geschilderd. Aan de hoeken, tussenin, bosjes palmen. Het grote verschil met een

stand-by in Europese havens is dat de sleepboten in de States voor en achter niet

worden vastgemaakt. De sleepboten zijn vooraan uitgerust met stootkussens en

duwen met de neus tegen het schip om het te draaien en tegen de kade te duwen.

Het gedoe met het werpen van lijnen kan uitgesteld worden tot de trossen werkelijk

kunnen uitgegeven worden om vast te maken.

Na een zeereis lijkt de lucht aan land geheel anders. In de zwoele bries hangen

luchtjes waaraan het reukorgaan niet meer gewoon is. Het schip lag met de poop

naar een brug waarover in een eindeloze sliert Amerikaanse sleeën zoefden. Bij

toekomst staan op de kade steevast de ambtenaren van de Immigration Service te

wachten tot de valreep buitenboord gezet wordt. Elk bemanningslid van hoog tot

laag moet voor hen verschijnen. Als alles in orde bevonden wordt, wordt er een pasje

uitgereikt om aan wal te gaan. Wee degene die op de vraag wat zijn meningsuiting is

communist antwoordt. Daarvoor wordt iedereen verwittigd. Alsof er een zo gek zou

zijn! Er deden echter verhalen de ronde dat er zulke mafkegels bestonden. In zulk

geval werd een agent aan boord geplaatst die het bemanningslid in het oog hield.

Men wilde waarschijnlijk op zeker spelen dat hij geen poot aan wal zette en de

heilige Amerikanen besmette. Wat een gelul!! In alle geval waren de meesten de pist

in met het verkregen pasje en de opgevraagde dollars.

Dat pasjes voor iets dienen ondervonden de deckboy en een lichtmatroos toen ze in

een bar bier bestelden. De barman bevond hen na opvraging van het pasje te jong

en kieperde hen er zo weer uit.

Na vertrek te Port Everglades werden de Florida Keys gerond en vaarde het

schip de Golf van Mexico in met Vera Cruz als bestemming. Het werd bloedheet

overdag. De zon stond van in de vroege morgen tot de late avond aan de hemel. In

de zon zitten op het poopdek was er niet meer bij. Beneden in de machinekamer

liepen de temperaturen onvoorstelbaar hoog op. Onder de middag kropen we

gewoonlijk in de tunnel, naast de schroefas, de meest frisse plaats beneden om

even te verpozen. De airconditioning was de grote weldoener aan boord en deed het

uitstekend in de cabines zodat van een verkwikkende nachtrust kon genoten worden.

Zelfs voor de matrozen werd het te warm aan dek.

Steeds als er sprake was van Vera Cruz dook het verhaal op van de kok Joseph Loir.

Op de Flandres zou hij de douanier Cipriano Garduno vermoord hebben. Het

schip ging eerst voor anker. De douanebeambte kwam aan boord om het schip te

bewaken en was verdwenen toen het de volgende dag tegen de kade ging. De

bekende feiten zijn dat er een kepie en een veldfles bij de gangway gevonden

werden. Vier dagen later werd het lijk opgevist nabij de plaats waar het schip voor

anker lag. Men vond in de klerenkast van Joseph Loir een met bloed doordrenkte

schort, hemd en sokken. Wel een bezwarend feit. Loir beweerde achteraf dat hij

bekende onder druk van de martelingen in de gevangenis. Nog steeds kwam een

aalmoezenier aan boord om giften voor hem op te halen. In een Mexicaanse

gevangenis betaald men voor zijn eigen voedsel. Natuurlijk werden de verhalen

achteraf flink gekruid. Daarom houd ik het bij de gekende feiten en de vermelding

dat eenieder aan boord enkele peso's in het mandje deponeerde.

Vera Cruz maakte een meer rommelige indruk.

Nauwelijks tegen de kade en de valreep uitgezet kwam er een waker aan boord

die zich op een stoel in het gangboord zette.

Hij droeg een blauw politie uniform compleet met pistool en matrak.

Vrouwen mochten niet aan boord en op de dieven werd een oogje gehouden.

Elke stad heeft zo zijn typische geur. De kade bevond zich niet ver van ‘t centrum.

Na een paar straatjes kwam men op een pleintje met veel groen in ‘t midden.

Er bevonden zich ook de typische tortilla en taco kraampjes.

Men bakte er de maïskoeken die met allerlei groenten en vleessoorten gevuld worden in grote

pannen of op de plaat. De geur van hete olijfolie en look vulde de lucht. Verderop

dan weer domineerde de reuk van gebakken en gegrilde shrimps, de heerlijke

reuzengarnalen uit de Golf van Mexico. De terrassen op het grote Plaza de Torros

zaten stampvol. Straatorkesten struinden de straten af en nestelden zich bij de

consumenten. Tussen de terrassen door en op het plein tussen palmen en tropische

bloemen dartelden als avondvlinders de meisjes, hongerig naar dollars. Het liet een

gezellige drukke indruk na.

Evenwel, hoe mooi dit alles ook men moest zich geen illusies maken. Het echte

Latijns Amerika kon men enkele straten verder weg van de toeristische drukte ervaren.

Ik dook een kroegje in in een achterafstraatje Het werd door de plaatselijke

bevolking bezocht, alles zag er eenvoudiger en armzaliger uit. Een paar gammele

tafeltjes waar amper twee man kon aanzitten, tegen de achterwand een kleine

gemetselde toog, bezet met witte steentjes. Daaromheen stonden allen

samengepakt. Uit hygiënische overwegingen dronken de meesten uit het flesje.

Wie een tijdje onderweg is en bier drinkt moet zonodig lozen, en ik maar zoeken naar een

indicatie waar de WC zich kon bevinden. Ik zag het wegens het altijd maar hoger

stijgende water niet zo goed meer zitten. Maar als de nood het hoogst is … jawel,

dan is de redding nabij. Een van de Mexicanen ritste zijn gulp open en piste

doodgemoedereerd in een goot tegen de toog. De urine werd afvoert door een gat

in de muur. Ik vroeg me af of de naam toogzeikers daar vandaan komt.

De havens tijdens een golfreis volgden zich in sneltempo op. Er werden soms veel

havens aangedaan wat maakte dat het schip niet al te lang bleef liggen. Om van

Brownsville naar Houston te varen werd een kanaal gevolgd omzoomd door

chemische fabrieken. Als men achter op de bak stond kon men het door de schroef

tot schuim opgeklopte water niet alleen ruiken maar als het ware ook proeven!

Voor we ‘t wisten waren we aan de oversteek, met Antwerpen als eerste haven,

begonnen.

In ‘t machien moest alles blinken tegen dat we de thuishaven bereikten zodat de 1e

machinist, aan boord “de meester” genoemd, kon tonen dat er wat gepresteerd was

op zee en de overuren konden gerechtvaardigd worden. De matrozen aan dek

papten de ene pot verf na de andere leeg.

In de keuken was het niet altijd koek en ei, de bakker leek een rare kwast. De

keuken, naast de mess gelegen, was verbonden met een service-opening.

Het grootste gedeelte van de dag bleef het gat open om te ventileren. Ook om een

praatje te maken met iemand van dek of de machine die in de mess kwam om te

drinken. Vooraan in de keuken, goed zichtbaar van in de messroom, stond een grote

frigo. Daarin bewaarde de kok de materialen die hij nodig had voor de dagdagelijkse

bereiding. De deur van glanzend metaal en mooi gepoetst kon als spiegel fungeren.

Men had in de mess reeds opgemerkt dat de bakker er niet voorbij kon zonder zich

te spiegelen. Aan een schoonheidswedstrijd moest die vent zeer zeker niet

meedoen. Een papperig lijf met daarboven op een ronde kop met kort geknipte

haren en een smikkel als een platte kaas. Ne nette kon men er niet van maken. Hij

begon, wijl hij zich spiegelde, ook snuiten naar zichzelf te trekken en zich toe te

zwaaien als hij voorbij de spiegel kwam. Dit tot groot jolijt van de toeschouwers in de

mess. Men begon te letten op de bakker!

s' Middags te drie uur werd er steeds een koffiepauze gehouden. Op een keer werd

de aandacht getrokken door een lawaai in de keuken. Kokkie schreeuwde:

“verdomme, Erik, moet dat brood niet uit de oven?!” De bakker trok juist de tong naar

binnen die hij tegen zichzelf uitstak en schreeuwde terug: “het brood dat is mijn zaak!

Dat is mijn geheim!” Diep verontwaardigd stond hij daar met het hoofd tussen de

schouders, als een stier die zodadelijk de toreador achter de vodden zou zitten en

hem het liefst van al tegen de schutting ramde.

In de mess waren inmiddels alle stoelen leeg en stonden we elkaar te verdringen en

op elkaar tenen te trappen voor de opening en het deurgat naar de keuken. Eerst

leek het erop dat de kok het erbij zou laten daar hij de schouders ophaalde en zich

afwendde. Hij bedacht zich echter, keerde op zijn schreden terug en siste de bakker

toe, hem met de wijsvinger in de borst prikkend: “haal het eruit, nondedju! ‘t Zit er

lang genoeg in, hoort ge? !” De bakker keerde zich schoorvoetend naar de oven. De

chef is nu eenmaal baas in de keuken. Men kon de nekken van de hele crew horen

kraken bij het rekken om toe te kijken. De ovendeur zwaaide open en de bakker

haalde er een reusachtig brood uit, haast tweemaal zo groot als het normale. “Jezus

Christus, moet je dat zien,” kreunde de chef met de twee armen boven het hoofd een

wegwerpbeweging makend alsof het zijn liefste wens was het gehele zootje over de

zij te zwieren, het zilte nat in. Hij deed het spijtig genoeg niet want we konden de

broden opvreten ‘s avonds en de volgende dagen ook. Soms zaten er gaten in als

tunnels! Dan weer, met het volgende baksel, waren het net gummiballen. Het type

met de grote gaten werd nog het beste bevonden. Het geheim van de bakker kon

niemand doorgronden. Zijn specialiteit bleek pudding maken. De bijnaam

poddingbakker had hij zo te pakken. Gelukkig bakte kokkie af en toe en dan kon de

bakker daarin zijn pudding spuiten, zodat er een echt toetje op tafel kwam.

Enkele dagen voor Antwerpen kwam de stuur in de mess met een lijst waarop
aangetekend werd of je terug meeging of niet de volgende reis. Ik koos voor
terug meegaan. Theo ook. Michel hield het voor bekeken met het argument dat
hij genoeg gespaard had die reis.
De kok, verbonden aan de compagnie, moest naar een ander schip en den bakker
werd bedankt voor bewezen diensten.
In Antwerpen werd er uitbetaald in 't loodswezen door een agent van CMB en
enkele dagen later moesten degenen die nog meegingen monsteren in het
rattekot.
Dek en machien hadden bij die tweede reis zowat dezelfde ploeg. Keuken en
stewards, potten en pannen dus, was een stelletje ongeregeld in de ware zin
van het woord.
Na Vera Cruz drong het nieuws van de brug tot in de laagste regionen door,
namelijk  dat er een kleine haven was bijgekomen. Quatzachalchos. Enfin
niemand kon zich herinneren daar ooit geweest te zijn. Tot het gerucht in de
keuken doordrong. "Jawel, ikke," zei kokkie, "taxi nemen en vragen naar Las
Palmas."
En zo gebeurde, met twee taxi's door de pampas naar Las Palmas, wat een
verzameling kroegen en dancings bleek te zijn. De gids? Kokkie natuurlijk!
"Voor een pakje sigaretten kunt ge daar paardrijden," wist hij.
Ondergetekende, na enkele biertjes geheel enthousiast schonk een van de
gaucho's enkele pakjes sigaretten en zat vlug op een paardje. Waar ik geen
rekening mee hield was het feit dat die gaucho's daar zonder zadel en bit
reden. Om het paard in te tomen hadden ze enkele een touw met een lus  om de
bek. Niettegenstaande dat ging het goed, in galop zelfs. Tot ik een
kruispunt naderde en uit de andere richting een auto kwam. Paartjes kunnen
een noodstop doen. En ikke, gelanceerd als een raket, maar met een kortere
vlucht, landde met mijn smikkel in het zand. Genoeg paard gereden!
In de kroeg werd flink aan de glazen gelebberd en er werd verbroederd tussen
Amerikaanse toeristen en de crew van den Teniers. Amerikanen zijn wel
sympathieke mensen, maar wie ze kent weet dat ge er bij moet nemen dat bij
hen alles groter is.
De steward deed dat dus niet en kokkie deed daar nog een schepje boven op
door op een barkrukje staande met luidde stem 'Yankee go home" te scanderen.
Beste mensen! In de kortste keren was er geen verschil meer te zien tussen
Amerikanen en zeelui. Alles zat op een hoop en bolde over de vloer of deed
haartje-pluk. Tot er twee wagens stopten met het veelzeggende opschrift:
"Politiia de Qoatsachalchos op de deuren." De barman wist nog goed wie het
in gang gezet had. De steward en kokkie werden verzocht om in te stappen.
De uitslag werd 's anderdaags vlug bekend. Kokkie stond daar met ne kop
zoals een rode bloemenvaas met blauwe vlekken en strepen. Niks kwam eruit
die vent uit die morgen. De steward die er niet veel beter uitzag briefde
ons bij. "Ja, hij daar hé. Meneerke moest zo nodig in de politiewagen
pissen!"
"Ho! Ja! Vandaar! In Mexico kunnen ze niet veel verdragen hé!"

 

Er werd reeds melding gemaakt van het feit dat potten en pannen een bende

ongeregeld leek. Steward nummer twee, Jack, werkte zich eveneens in het nieuws.

Dat had echter slechter kunnen aflopen. Het moet eveneens gezegd dat ook niet alle

officieren zich correct gedroegen. De derde machinist kon het uithangen volgens de

verhalen van de stewards. De koffie was altijd te heet of te koud, te slap of te sterk.

Het kwam reeds meerdere malen tot een woordenwisseling. Op een keer schonk

Jack hem bij het ontbijt de koffie uit toen de derde vroeg: “toch weer niet koud, hé?”

Jack moet flink de smoor in gehad hebben. “Hier zie, godverdomme! Voel eens hé!”

Waarbij hij meteen de inhoud van de koffiekan over het hoofd van de derde

kieperde. Gelukkig had deze toch een beetje gelijk ditmaal, de koffie was niet te

heet!

Het werd een uitzonderlijke reis omdat er plaatsen aangedaan werden die tijdens

een Golfreis niet dikwijls aan bod kwamen. Brownsville, Corpus Christi, Galveston en

Houston werden praktisch alle reizen aangedaan, maar slechts zelden Beaumont en

Lake Charles.

Om beide plaatsen te bereiken moesten de kanalen opgevaren worden. Op een van

die kanalen bevond zich een plaats waar een hele vloot cargo’s in de mottenbollen

lag, allen van de Victory- en Liberty-klasse. Vrachtschepen die in reserve gehouden

werden indien er ooit nog een conflict zou uitbreken. Een deel van de crew hing over

de reling en keek naar de schier eindeloze rij schepen die gepasseerd werden toen,

waarschijnlijk door de deining, veroorzaakt door de boeggolven, er een kabel brak.

Een knal als een pistool dat afgevuurd werd, waarna de kabel tegen de zij van het

schip knalde juist onder de verschansing. Gelukkig, want een gespannen stalen

kabel die zich ontspant na een breuk kan voor heel wat ravage zorgen.

Tegen de kade te Beaumont op zondag. Een uitstekende gelegenheid om de benen

te strekken en bij te tanken. Een typisch zuidelijk stadje zoals ze allemaal zijn. Met

Mainstreet in het centrum. Niemand wist natuurlijk vooraf dat er die dag verkiezingen

gehouden werden. Het kon hun wat! Alleen, op een verkiezingsdag werd er geen

alcohol geschonken en dat vonden de meesten maar niks!

Lake Charles, New Orleans, beiden in Louisiana en de reis zat erop. Tijdens de

oversteek naar Antwerpen kreeg alles een flinke beurt zowel aan dek als in de

machinekamer. De schilderwerken die begonnen waren werden afgemaakt. Voor de

rest werd er verf gewassen opdat alles zou blinken bij toekomst in de thuishaven.

Dat was voor de officieren een middel om een pluimpje te halen.

En de lijst: “Wel of niet meer mee de volgende reis kreeg van mij een nee …” Verlof

dus en een ander schip.

 

 

 

 

MS Escaut

De zeelui hielden zich tijdens het wachten, nadat het nummer afgegeven was, het

meest op in De Melsele bij dikke Mit. Het cafeetje zag er niet luxueus uit. De deur

bevond zich in het midden tussen twee van gordijnen voorziene raampjes. Links en

rechts tegen de muren waren er zitbanken met daarvoor houten tafels en stoelen. De

ouderwetse tapkast stond tegen de achterste wand. Ze was voorzien van een

witmarmeren blad en rondom een geel koperen bar. Daaraan hadden diegenen die

wankel op de benen stonden een goede houvast. Als het café er dan al niet

bijzonder uitzag, de waardin was dat wel. Enorm van omvang, voorzien van een

respectabel aantal dubbele kinnen troonde ze achter de tapkast, bijgestaan door een

serveuse. Immobiel door haar omvang, maar het geheel dominerend en controlerend

met waakzame blik.

Te zeven uur werd er opengedaan voor de vroege vogels die hun koffie kwamen

slurpen. De sfeer die er heerste was speciaal. Iedereen kende iedereen en dikke Mit

kende allen. Ze luisterde noodgedwongen naar de verhalen en er werd beweerd dat

geen enkele bootsman beter de laadbomen kon toppen, op welk schip ook, dan Mit.

Onderwijl flitsten haar ogen van de vertellers naar het cahier voor haar, dat haar

interessantere dingen vertelde; wat iedereen gehad had en nog moest betalen. De

dienster werkte met een kassa, maar het had net zogoed zonder gekund. Mit wist

het wel als een van haar pappenheimers er per abuis vanonder trok zonder te

betalen. Vergeten werk of niet, hierover werd geen discretie in acht genomen. De

volgende dag, reeds bij het openstoten van de deur had Mit de onverlaat in de

smiezen en brulde: "hé, zeg! Gisteren wat vergeten zeker! ?" Zo ging dat daar, op de

man af, maar eerlijk.

De klanten behoorden hoofdzakelijk tot de lagere bemanning. Officieren waren

verbonden aan de compagnie en kwamen slechts in "t rattekot om de monsterrol te

tekenen. De walkapitein wist maar al te goed waar de wachtenden uithingen. Niet

zelden, als er een naam werd afgeroepen en de persoon kwam niet opdagen, werd

er iemand op uitgestuurd naar dikke Mit.

Ook de Escaut deed de Golf van Mexico. In tegenstelling tot de grijze rompen die de

schepen van C.M.B. kenmerkten was het schip zwart geschilderd. In 1960

fusioneerde C.M.B. met Armement Deppe. De Escaut en Anvers voerden nog altijd

de Deppe vlag en ook het eetgerei en linnen waren nog steeds getekend met

Armement Deppe. De zeelui noemden ze de Deppeboten.

De bemanningsverblijven lagen vanachter op die schepen. Men had bijgevolg altijd

het dek over te gaan. Als er veel deklast was kwam er klimwerk bij kijken. Bij slecht

weer waren de risico"s om weg te spoelen verre van denkbeeldig. Twee ijzeren

stormdeuren aan bak- en stuurboord gaven toegang tot de bemanningsverblijven.

Het binnengangboord beschreef een lange bocht en volgde de ronde vorm van het

achterschip totdat men terug bij de andere deur kwam. Aan de buitenkant lagen de

hutten. Aan de binnenzijde de douches en een salonnetje. Alles stond in lichtgroene

verf, de vloeren in de rode boottop. Vanzelfsprekend bevond zich vanachter ook het

mechanisme dat het roer bediende, het stearing-gear. Dat zorgde voor nogal wat

overlast "s nachts. Net een kudde loeiende runderen.

Alvorens de plas over te steken werd Londen aangedaan. Nadat het schip de

monding van de Theems uitglipte begon het reeds te rollen op de milde deining. Een

der kenmerken van de Deppeschepen. Het lag niet zozeer aan de schepen maar

veeleer aan de lading. Vanonder laadde men ijzer en daarbovenop de andere lading,

meestal drank voor de States. Het ijzer vanonder zorgde voor een slingerbeweging

die het rollen van het schip verhevigde. Men hoorde in "t kot niet zelden de

gemonsterde good rolling toewensen in plaats van goede reis.

Het porren of wekken gebeurde te vijf uur dertig als er overuren gemaakt werden.

Het stuurmechanisme had de meesten flink uit de slaap gehouden. Na het losmaken

van de klem der stalen deur moest men zich bij hevige wind schrap zetten. Zo vroeg

in de morgen zorgde de schrale wind in alle geval voor een frisse wandeling. De

meeste holden over dek om zich in de behaaglijke warmte van de mess te storten,

die zich aan de achterzijde van het midscheeps bevond.

Jef, een wiper van de oude generatie die nog als donkeyman vaarde op de

kolenbranders had behoorlijk de pest in. Jefke was een bewoner van het

logementhuis van Louis de jood. De voornaamste bezigheid daar ten huize bestond

erin om grote hoeveelheden drank naar binnen te werken. Louis de Jood zorgde

ervoor dat er altijd genoeg geestrijk nat in voorraad was. Bijgevolg stonden vele

gasten tegen de tijd dat ze vertrokken flink in de rode cijfers. Niet moeilijk om raden

wat daarvan de bedoeling was. Onvermijdelijk begon Jef"s alcoholgehalte in "t bloed

flink te zakken. Alhoewel het warm genoeg was in de mess was zijn toestand

beverig. Drinken uit de koffiemok leverde problemen op. Hij moest de mok met beide

handen vasthouden anders zwiepte de inhoud over de rand.

In de loop van de dag werd het rollen en stampen heviger, er werd slecht weer

verwacht. Bij het oversteken van dek naar de verblijven was reeds duidelijk merkbaar

dat de wind in kracht had toegenomen. Het schip maakte water. Het beste was om

dicht bij het luik te blijven en het kalmaan te doen. Lopen kon gevaarlijk zijn indien er

toch een zee over dek kwam. In de rug gepakt smakte men allicht ergens tegenaan.

Al die bewegingen van het schip vroegen tegenbewegingen van het lichaam om zich

overeind te houden. Dat en een zwaar gevoel in de maag maakte slaperig na een

warm stortbad. De een wist er niets van, de ander werd doodziek. Het grootste part

hing daar zowat tussenin. Als men dan al een beetje de geluiden van het stearinggear

gewoon was werd men gewekt door een schril gehuil. Het werd veroorzaakt

door de schroef die boven water kwam en plots meer toeren maakte als het

achterschip de hoogte in geworpen werd.

‘s Morgens na het porren lag Jefke voor zijn cabine in de ogen te wrijven toen de

anderen buitenkwamen om zich naar de mess te begeven. "Wat gebeurd er, Jef?"

vroeg Flor, een van de andere wipers al lachend. Jef scheen dat gelach verre van

plezant te vinden. Met beverige vinger en vertrokken gelaat wees hij op de deur van

zijn cabine en riep: "doe de deur maar eens open en kijk in mijn bed! Een grote vent

met een zwarte baard! Denkt ge soms dat ik daar bij kruip? !" Iedereen barstte in

lachen uit. Flor deed onder luid protest van Jef de deur open haalde een

hoofdkussen naar buiten en stak het onder Jefs hoofd met de woorden: "blijf nog

maar wat liggen, we redden het voorlopig wel met zijn tweeën beneden in de

machine."

Het achterdek oversteken bleek geen lachertje. Het schip stak de kop diep in de

golven en tijdens een rolbeweging kwamen er behoorlijke brekers over dek. Met het

volle gewicht tegen de deur om zich schrap te zetten en het hoofd buiten moest er

gewacht worden tot de verschansing de hoogte inging. Dan kon het gewaagd

worden zich langs het luik, zodat men zich in geval van nood kon vastgrijpen, naar

het masthuis te reppen. Vandaar langs het volgende luik naar de luwte van het

midscheeps.

Nauwelijks was iedereen binnen of Jef arriveerde. "Ik wou nog wel wat blijven liggen,

maar ik ga kapot van de dorst!" Koffie genoeg maar de meeste ging de tafel of de

vloer op. Ook met twee handen hield Jef de mok niet onder controle. Hij zag af en

was kennelijk aan zijn afkickperiode begonnen.

Met de storm ging het al niet veel beter. Bij het passeren van Cabo Finisterre werd

de zwel groter en gemener. Het slapen werd meer en meer bemoeilijkt. Met de rug

tegen een opgerolde deken kon men zich vast zetten.

‘s Middags werd er gewoonlijk een beetje gerust op de zetel in de cabine. Na de

middagpauze liepen de twee wipers babbelend op de deur van Jef"s hut toe. Flor

werd in het midden van een zin onderbroken doordat de deur opengeworpen werd.

Jef wipte als door een wesp gestoken de gang in en riep: "hebben jullie dat witte

hondje niet gezien? Het is zojuist buiten gesprongen!" Ze keken elkaar onthutst aan,

maar barstten dan in lachen uit. "Je bent op de goede weg, Jef! Eerst een vent met

een zwarte baard, dan een wit hondje, je bent beslist aan de beterhand !"

Het weer beterde niet, verre vandaan! Volgens de berichten die van de brug

doorsijpelden week de kapitein na de Portugese kust van koers om de storm uit de

weg te gaan. Het schip begon meer en meer te stuiteren met de kop in de golven.

Het leek soms een eeuwigheid te duren vooraleer het achterschip terug de golven

inzakte. De verhalen over schepen die zichzelf ondervoeren kwamen op de proppen.

Helemaal niet geruststellend! Naar voren gaan om het te onderzoeken was echter uit

den boze. Ver zuidelijk van de normale koers, in de buurt van de Canarische

Eilanden, begon de storm te luwen. Hoog tijd om na te gaan wat er schortte.

Het was wel zeer slecht weer geweest maar niet zodanig dat het schip zulke

capriolen maakte. Het bleek dat het anker speling had en een gat sloeg in de

voorpiek waarna de lockers in het vooronder vol water liepen. Vandaar dat het de

kop langer in de golven stak dan normaal en begon te stuiteren. De machinisten

werden erbij gehaald om een plaat tegen het gat te lassen. In het vooronder heerste

chaos. De trossen en de stalen kabels, of springs, werden daar opgeborgen. Nadat

het water eruit gepompt was kon het geheel best beschreven worden als een

reusachtige bol spaghetti. Het ergst van al was dat er ook nieuwe trossen en kabels

in het kluwen verward zaten. Matrozen, wipers en machinisten vielen manmoedig

met snijbranders op de bol aan. Ondanks de hele reeks vloeken en krachttermen,

die met het zware werk gepaard gingen, kwam er geen lievemoederen aan te pas.

Het grootste gedeelte werd stuk voor stuk over de zij gezet.

Na Mexico werd Texas aangedaan. De assistent in de machine hield er over van

alles en nog wat een eigen mening op na, die evenwel niet altijd met de realiteit

strookte. Zo vond men de assistent op een morgen beneden in de machinekamer,

voor het instrumentenbord, druk bezig met zijn was. Twee schragen met planken,

daarop een tobbe zeepsop en hij schrobben of zijn leven ervan afhing. Tot de

tweede machinist beneden kwam. Er kon niet gehoord worden wat de meester zei.

Het was wel te merken aan het armengezwaai in de richting van de trap en de spoed

waarmee de assistent verdween. Schragen, planken en tobbe incluis zeulde hij in

zeven haasten naar boven.

In Texas, te Brownsville, gelegen aan de Rio Grande, werd iedereen op het hart

gedrukt zeker niet de brug over de rivier over te steken. Ze vormde de grens tussen

Texas en Mexico. De brug over wandelen vormde geen probleem en de bars waren

er gezelliger en beter voorzien van vrouwelijk schoon dan op Amerikaanse bodem.

Terugkeren kon men vergeten want daarvoor moest men over een visum

beschikken. Het voorlopige Amerikaanse pasje telde in zulk geval niet. Waarschijnlijk

had de assistent dat weer niet zo goed begrepen. Het bleek dat hij een taxi genomen

had en de chauffeur naar een goede bar vroeg. De man wist een héél goede en reed

hem prompt de brug over. De consul en de compagnie-agent moesten eraan te pas

komen om hem terug naar de States te halen. Volgens de chief-machinist zou het

echter nog zo geen groot verlies geweest zijn om de reis zonder hem te vervolgen.

De volgende haven, Corpus Christi, bleek de favoriete haven te zijn van de

bootsman. Dagen voordien zeurde hij erover dat hij daar een bar gevonden had die

volgens hem het einde was. In de mess werd er in "t lang en breed over

gediscussieerd. Men werd het erover eens dat het moest uitgeprobeerd worden. Nu

was het zo dat de schepen nooit lang in Corpus Christi bleven liggen. Daardoor

kwam het dat er weinigen aan wal geweest waren. Ook nu zou er enkel een kleine

hoeveelheid bijgeladen worden. Het schip kwam ‘s avonds tegen de kade. Met laden

werd de volgende morgen begonnen, een buitenkansje dus!

Zodoende kuierde de hele bende na valavond richting Mainstreet, slechts enkele

straten van de ligplaats. In een zijstraatje vonden ze de beruchte bar. Rode

neonletters vertelden dat de zaak over air-conditioning beschikte maar ook dat het

een stripteasebar was. Zoals de meeste bars van dit allooi zag het er binnen vrij

donker uit. De ruimte, groter dan men kon vermoeden van buitenaf, bood zodra de

ogen een beetje aan het duister gewend waren, een vrij luxueus uitzicht. In ruime

boxen konden zonder problemen acht à tien personen plaatsnemen. De

muziekinstallatie blèrde er lustig op los om de meisjes die hun nummertjes brachten

te begeleiden op de centraal gelegen dansvloer. Een meisje, met alles erop en eraan

slipte in de lichtcircel en werkte zich op de maat van de muziek uit de kleren. De

muziek was zo gekozen dat het ritme aanzwol en naar het einde een crescendo

bereikte. Wanneer de danseres uit haar bustehouder ging, gingen de drums over in

een roffel. De spots uit, nog even aan in een flits, en hop, het meisje verdween in de

duisternis. Zo de ene achter de andere, aan stripteaseuses geen gebrek!

Het bier vloeide rijkelijk, de diensters begonnen de weg naar onze tafel goed te

vinden. Opeens zei de boots: "dat kan ik ook! Zelfs beter, want ik doe alles uit!" Hij

werd met argwaan bekeken. "Dat durf je niet!" "Wat, niet durven? Ge zult eens wat

zien zie!"

Het volgende nummer werd gebracht door een meisje van Mexicaanse origine. Wijl

ze haar nummer uitvoerde was de boots zich in alle stilte aan "t ontkleden. "Bang!"

gingen de drums en het mooie kind was eventjes te aanschouwen met de borstjes

stevig rechtop gericht. "Bang, boem!" Licht aan, licht uit, een gestommel, meisje

weg, lichten terug aan en daar stond de boots, poedelnaakt met de armen boven het

hoofd! We schaterden het uit, de aanwezige Amerikanen eveneens. De directie kon

er niet mee lachen. Geflankeerd door twee kleerkasten van venten vertelde de

manager dat we konden opkrassen en liefst zo vlug mogelijk!

Voor de volgende reis had bijna iedereen "ja" getekend om terug mee te gaan. Het

schip bleef maar een paar dagen in Antwerpen. Na het ritueel van af- en

aanmonsteren in ‘t kot en bij de waterschout werd er een afzakkertje genomen in de

Melsele. De discussie was reeds in volle gang.

"En weet ge wie ik gisteren zag? Het paard!" schreeuwde Mon, een bootsman, die

een kamer boven het café betrok. Voor degenen die nog niet van het paard hoorden

werd graag verduidelijkt dat het een matroos was die dacht dat hij een paard was. Hij

stond regelmatig te hinniken en tegen het schot te stampen zelfs op de brug tijdens

het wiel lopen. "Vaart die nog?" vroeg een jongere matroos, "Ik was met hem op de

Gent."

Mon zat voorover gebogen met de ellebogen op tafel. Hij had een donker type en

was gekleed in een blauwzwart, geblokt, Canadees hemd. Mon voerde het hoge

woord, zoals steeds. "Daar kunt gij niet mee gevaren hebben! Jij bent te jong

daarvoor!" "En ik zeg je dat ik met hem aan boord was op de Gent, toen ik nog

lichtmatroos was. En de Cowboy was daar ook aan boord. Zeker weten!" Mon

bekeek hem argwanend, de ander zou de show kunnen stelen en dat zinde hem

niet. Hij wilde graag het laatste woord. Iedereen wist dat hij tijdens de periodes die hij

in de thuishaven verbleef steeds op zijn vaste plaatsje zat. En dat hij van in de

vroege morgen tot sluitingstijd Stella zat te hijsen tegen de sterren op. Een vast

garnituur in de Melsele. De matroos vervolgde echter, tot grote hilariteit van de

aanwezigen: "dat was toen het paard de cowboy uitnodigde om op zijn rug paardje te

rijden. We waren in volle zee. De cowboy sprong op zijn rug en "t paard galoppeerde

met hem het gangboord door. Vervolgens het hele schip rond tot hij op de reling

toeliep en de cowboy haast het sop inkieperde en riep: "paardje wordt moe nu! Moet

rusten!" "t Scheelde geen haar of de cowboy zwom in de Atlantische Oceaan met

hoed, revolver en al!" Bij dikke Mit waren zulke verhalen legio.

 

 

 

m / s Escaut

 

Het vertrek vond plaats juist voor Kerstmis dat dan ook nog in ‘t weekend viel. 

Daar eerst de kleine reis werd gedaan bleef het schip met de Kerstdagen in Rotterdam

liggen, een buitenkans. Het werd oogluikend toegelaten dat de bemanningsleden die

gemist konden worden de trein namen naar Antwerpen voor het weekend.

Te Londen werd meer drank geladen dan ooit. De kok en de chief steward sloofden

zich uit om een feestmaal voor te zetten met nieuwjaar, waar ze bijzonder wel in

slaagden.

De afkickperiode van Jef verliep vrij vlot. Hij had niet te lelijk gedaan want de vent

met de zwarte baard verscheen niet. Het witte hondje maar even, wat maakte dat hij

vrij vlug in conditie was.

De assistent machinist die eveneens terug meeging zorgde weerom voor afleiding.

Eén zijner taken bestond erin het bilgewater, het vuile water op de bodem van de

machinekamer, regelmatig weg te pompen. Hij moet een verkeerde kraan

opengedraaid hebben waardoor het drinkwater overboord gepompt werd. Er werd

hartelijk om gelachen, maar niet lang. Want later bleek dat er nog maar net genoeg

water aan boord was om de keuken te voorzien. Er kon wel zoet water aangemaakt

worden in geval van nood, maar lang niet genoeg om de wasplaatsen te

bevoorraden. Er zat dus niets anders op dan de douches te voorzien van zout water.

Puur natuur recht uit de oceaan. Zout water mengt zich echter nu eenmaal niet met

zeep. Of men zeep meenam onder de douche of niet maakte niet veel verschil uit.

Iedereen trachtte om zich niet teveel met vet of olie te besmeuren. Echter een hele

dag werken zonder zich vuil te maken is echter een ander paar mouwen. De haren

wassen was helemaal uit den boze. De haren zagen er na een week uit als een

dekzwabber en voelden zeker even stijf aan. Er liepen, zowel onder de officieren, als

onder de bemanning, kopieën van Kuifje rond.

"Vroeger," beweerde Jef, "hadden we speciale zeep om ons te wassen met zout

water. Dat waren andere tijden! Elkeen een emmer fris water per dag en die moest

men warm maken aan een stoomlijntje in ‘t stookhol. Water op, gedaan met wassen,

of anders met zout water."

In alle geval zoutwaterzeep hadden ze niet. Een assistent die het zoet water over

boord pompte zag de chief helemaal niet meer zitten. Het leek erop dat het zijn

laatste reis zou worden. Waarschijnlijk is er nooit een schip geweest met zulke blije

bemanning toen het tegen de kade ging te Port Everglades. Er werd beloofd door de

kapitein dat er zo vlug mogelijk zoet water zou getankt worden. Dat gebeurde ook.

Gewoonlijk repten degenen die konden gemist worden zich om aan wal te gaan,

maar nu niet. Eens begonnen met water tanken kwam er een stormloop naar de

wasplaatsen op gang. Er werd gezongen en gespetterd dat het een lust was.

Niet iedereen was zo gelukkig die dag. De boots die graag aan striptease deed was

in verlof gegaan. Zijn vervanger maakte iets mee dat hij niet, trouwens niemand niet,

verwacht had. Zoals gebruikelijk diende iedereen, na het afmeren, zich te melden in

het salon boven om de de tijdelijke pasjes voor de States af te halen. Ook ditmaal

verliep het vlot. Tot de boots aan de beurt kwam. De Immigration Officer bekeek

hem, keek op zijn lijst en vroeg: "heb je familie in Oost-Duitsland?" De boots hoorde

het in Keulen donderen en knikte beteuterd. "En heb je Oost-Duitsland bezocht?"

De boots kon weerom niets anders dan bevestigend knikken. "Dan moet ik het

paspoort weigeren, meneer. Beloof om niet van boord te gaan." De officier richtte

zich tot de volgende, voor hem was de zaak afgedaan. Zo de boots aan wal ging en

men kwam erachter zou er een agent voor zijn cabine geplaatst worden op

compagniekosten. De identiteit van iedereen aan boord werd nagetrokken. Zelfs de

kapitein verbaasde zich erover dat de Immigration Service daarover struikelde.

Waarschijnlijk kwamen ze te weten dat hij een visum voor Oost-Duitsland aanvroeg.

Nauwelijks het ritueel van het uitreiken der pasjes achter de rug werden de matrozen

aan dek geroepen om de bomen te toppen. Er zou dadelijk met lossen begonnen

worden. Iedereen kende zijn plaats en zijn job, een routineklus. Het ratelen van de

winchen als de bomen omhoog getrokken werden met de toppinglift weerklonk op

voor en achterdek. De dokkers stonden klaar om de winchen over te nemen zodat

de eerste vrachten luttele minuten later het luik uit gehesen werden. Eerst de drank

want die lag bovenaan. Ongelukkig raakte een hijs met vaten bier de scherpe kant

van een luik zodat het bier in het rond spoot. Een der matrozen was er als de kippen

bij toen de hijs even aan dek gezet werd. Hij ging er als een haas met het lekke vat

vandoor. Recht de verblijven in het achterschip binnen. Tegen de avond konden we

met de hulp van de machinisten een provisorische tab maken in het salonnetje. De

matroos die er met het vat vandoor ging werd tot barman gebombardeerd waarmee

hij bovendien het leeuwenaandeel van het bier bemachtigde.

De reis verliep zonder verdere noemenswaardige gebeurtenissen. De laatste haven

werd Mobile in Alabama. In de baai lag het slagschip Missouri waarop Mac Arthur en

de Japanners het einde van de tweede wereldoorlog tekenden. Aan ‘t middagmaal

zei Jef plots, zo tussen twee beten door. "Ik denk dat ik vanavond eens naar de

zeemansmissie wandel. In ‘t park ga ik naar de eekhoorntjes kijken." Grote hilariteit

alom, want iedereen dacht aan Jef met die vent met zijn zwarte baard in zijn bed en

in de latere afkickperiode, zijn witte hondje.

 

 

Eddy Lucas